zaterdag 26 juli 2014

Raddraaien: The Lemon Pipers



We zijn weer terug. Het is maar een geluk dat ik woensdag dubbel had gepubliceerd, want de computer was donderdagavond een klein drama. Dat is die nog steeds eigenlijk, maar hij heeft me donderdag flink laten zweten. Het heeft gelukkig geen invloed gehad op Floorfillers, hoewel de laptop meende te moeten crashen op het moment dat ik de 'autos' wilde starten. Hierdoor werd ik verplicht nóg een nummer te draaien en rustig te wachten eer de laptop weer ging meewerken. Vandaag en gisteravond ben ik bij mijn moeder geweest en vanavond heb ik wederom The Vinyl Countdown gedaan. Het einde van de zevende serie Raddraaien is in zicht, hierna nog twee plaatjes te gaan, en dan gaan we vrolijk weer van voren af aan beginnen. Vandaag een plaatje uit de jaren zestig, zeven vanaf 'Whole Lotta Love' van Led Zeppelin, vinden we deze van The Lemon Pipers. Die is met het hoesje al een paar keer aan bod gekomen. Ten eerste in 2010 met 'kleur bekennen' en een jaar later toen ik de single eindelijk eens met fotohoes op de kop heb getikt. Vandaag zet ik 'Jelly Jungle' van The Lemon Pipers andermaal in de schijnwerpers.

Naar mijn mening wordt The Beatles wel eens teveel eer toegedicht, maar op één vlak is de groep uit Liverpool zeker de eerste! Nog voor de eerste plaat voor Parlophone een feit is, heeft Brian Epstein al de rechten op de naam en het logo laten vastleggen. Gezien het ontvangst in Hamburg en de interesse van de Engelse fans voor de, nauwelijks verkrijgbare, Polydor-singles van The Beatles, weet Epstein als geen ander dat hij goud in handen heeft. The Beatles gaat niet alleen voor een fenomenale plaatverkoop zorgen, de groep heeft vanaf het eerste moment een merchandise-lijn. Iets waarvan de mensen rondom Elvis nog niet bewust zijn in de jaren vijftig, maar wat ten tijde van The Beatles als een paal boven water staat: Popmuziek is 'booming business'. Tieners hebben geld te besteden en willen alles van hun idool hebben. The Beatles is de eerste groep die hierin voorziet.

Popmuziek wordt niet alleen volwassen in de jaren zestig, het verliest ook zijn onschuld. Net zoals bij de crooners in de jaren vijftig worden in de popmuziek de lijnen met de onderwereld zichtbaar. Platenmaatschappijen worden opgezet om geld wit te wassen. Buddah Records is daar een prachtig voorbeeld van. Bovendien is Buddah een bedrijf dat louter geld wil maken en voorbij gaat aan de artistieke vrijheid van een artiest. Melanie wordt bijvoorbeeld nog jaren geplaagd door Buddah nadat ze het label heeft verlaten. The Lemon Pipers kan er eveneens over mee praten. Wat eerst lijkt als een lucratieve deal blijkt een enorme molensteen te worden.

The Lemon Pipers ontstaat in 1966 in Oxford in Ohio. Alle leden hebben daarvoor met hun eigen bandjes het club-circuit in Ohio onveilig gemaakt. Dale 'Ivan' Browne is de zanger, William Bartlett de gitarist, Robert G. 'Reg' Nave de toetsenist, William E. Albaugh de drummer en aanvankelijk speelt Ron 'Dude' Dudek de basgitaar. Die laatste wordt al snel vervangen door Steve Walmsley. The Lemon Pipers speelt aanvankelijk een mengeling van hardrock, folkrock en blues en heeft naast eigen composities covers van The Byrds en The Who op het repertoire. Zonder Browne neemt de groep in 1967 een single op voor het kleine Carol-label, maar 'Quiet Please' maakt weinig indruk. De groep doet mee aan een regionale talentenjacht maar ziet de hoofdprijs gaan naar The James Gang met een beginnende Joe Walsh.

Dan komt Browne in zicht en ontmoet de groep de welwillende impresario Mark Barger. Die brengt de groep in contact met Neil Bogart, die even daarvoor het Buddah-label is begonnen. Het lijkt aanvankelijk een deal als iedere andere platenmaatschappij, want Bogart laat hen gerust een single opnemen met eigen composities. 'Turn Around And Take A Look' is in 1967 de elfde single op Buddah, maar vindt geen weg naar radiostations en kopers. Producent van de plaat is Paul Leka, die samen met Shelley Pinz liedjes schrijft voor de Brill Building. Bogart vraagt Leka en Pinz om met een volgende Lemon Pipers-single te komen en dat wordt 'Green Tambourine'. Opeens ontdekken de leden van The Lemon Pipers dat ze niets meer hebben in te brengen over de keuze van het repertoire. Met tegenzin neemt het 'Green Tambourine' op en eind 1967 verschijnt het als single. In februari 1968 heeft de hoogste plaats in zowel de Billboard als de Cashbox gehaald en Bogart, Pinz en Leka hebben gelijk gekregen. De volgende single is eveneens van de hand van Pinz en Leka en draagt de titel 'Rice Is Nice'. The Lemon Pipers neemt dit zo mogelijk met nog meer tegenzin op, maar het heeft geen andere keuze. Het liedje afwijzen betekent einde platencontract. Buddah kennende had het dan vast een 'nieuwe' Lemon Pipers geformeerd. Voor The Lemon Pipers zélf is het erg tegenstrijdig. Het deelt in maart 1968 een podium met Moby Grape, Spirit en Traffic in de Fillmore West, maar aan de andere kant wordt de groep meer en meer in het hoekje van The Ohio Express en 1910 Fruitgum Co. geduwd. De eerste elpee is genoemd naar hun eerste grote hit en bevat slechts twee eigen composities waarvan eentje is uitgerekt tot acht minuten. Op het gebied van de singles blijven Leka en Pinz regeren en de volgende is de laatste hit voor de groep: 'Jelly Jungle (Of Orange Marmalade)' is wereldwijd een bescheiden hit. Het tweede album heet 'Jelly Jungle' en hierop worden de twee gezichten van The Lemon Pipers nog duidelijker.

Enerzijds is een niets-zeggend bubblegum-groepje te horen, maar de band mag eveneens uitpakken in het 11 minuten-durende 'Dead End Street/ Half Light' en neemt, evenals The Byrds, de Goffin/King-compositie 'I Wasn't Born To Follow' op. Eric Ehrmann is eveneens betrokken bij het schrijven van de meer progressieve nummers van The Lemon Pipers, maar hem vergaat de pret zodra Buddah weigert om een compositie van zijn kant uit te brengen als single. Ehrmann verlaat na 'Jelly Jungle' Buddah en The Lemon Pipers en wordt schrijver bij Rolling Stone. Schrijver Gary Pig Gold memoreert de groep uitgebreid in zijn boek over de bubblegum. 'Shoeshine Boy', de b-kant van 'Jelly Jungle', is namelijk zo'n klein bubblegum-pareltje dat de vergelijking met bijvoorbeeld The Move met glans kan doorstaan. Toch zal het grote publiek de groep herinneren vanwege 'Green Tambourine'.

Buddah krijgt een nare bijsmaak als blijkt dat Morris Levy de werkelijke eigenaar is van het label en Levy heeft banden in de onderwereld. We zijn die naam al tegengekomen in het verhaal over The Fuzz. Ook qua rechten is het een zootje bij Buddah en de leden van The Lemon Pipers zullen nooit een cent terug zien van hun plaatverkopen. In 1969 is de groep het helemaal zat en verlaat het label om kort daarop uiteen te vallen. Bartlett, Walmsley en Nave formeren een nieuwe band: Starstruck. Deze band neemt een eigen bewerking op van Leadbelly's 'Black Betty' en het Kasenetz-Katz-team gaat daarmee aan de haal en brengt het in 1977 uit onder de naam Ram Jam. Dan zijn de leden de muziekbusiness spuugzat. Alleen Nave blijft spelen met The Blues Merchants, maar is bovenal een populaire jazz-dj. Bill Albaugh heeft op 20 januari 1999 het tijdelijke voor het eeuwige verruild. Hij is dan nog maar 53 jaar.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten