dinsdag 8 april 2014

Week Spot: The Major IV



Voor deze Week Spot gaan we even kriskras door Amerika, dus neem voor alle zekerheid een lunchpakketje mee. Wederom is er niet zoveel te vertellen over de groep en dus richt ik me maar voor het overgrote deel op het platenlabel en de persoon die hiervoor verantwoordelijk is. We zijn de naam van deze meneer wel vaker tegengekomen op Soul-xotica, het is het soort 'unsung hero' dat ik zo goed kan waarderen. We gaan vandaag van Detroit naar de Amerikaanse westkust en maken intussen een stop in Chicago. Voor de Week Spot gaan we vervolgens diep in Chicago naar een buurt waar je normaliter niet gauw een stap zult zetten. De Week Spot van deze week heet 'Down In The Ghetto' en is afkomstig van The Major IV (1967).

Ik zou bijna schrijven dat mijn interesse gaandeweg van Northern naar 70's soul verschuift, maar dat is toch weer niet helemaal waar. Ik blijf zoeken naar de ultieme stamper uit de jaren zestig en die zoektocht blijft doorgaan. Toch maak ik ruimte in mijn koffers voor Modern Soul. Op het eerste gezicht is dit een vreemde introductie bij een plaat uit 1967, maar als ik hem in december tegenkom in een Ebay-veiling meen ik echt met een plaatje uit 1971 of daaromtrent te maken te hebben. Achteraf bezien kan dat te maken hebben met de titel. Een ghetto is anno 1967 niet iets waarover je zingt, pas rond 1970 komt dit meer op de voorgrond. Hoewel 45cat zich baseert op doorgaans betrouwbare release-info en deze als verschijningsmaand maart 1968 noteert, is de plaat eigenlijk in december 1967 uitgebracht. De plaat heeft echter een 'modern' aandoend stereo-geluid, maar als we iets verder in de achtergrond duiken van de plaat dan verbaast dat allerminst. Dit is niet door de minste of geringste namen op de plaat geslingerd.

Over The Major IV weten we erg weinig, behalve dat ze eerder platen heeft gemaakt als The Majors (niet te verwarren met de groep op het Imperial-label) en The Vows. De groep komt uit Chicago en zal na haar verblijf bij Venture Records nog eentje opnemen voor Ran-Dee Records, welke dan weer geproduceerd is door 'onze' André Williams. Laten we eerst eens beginnen in Detroit. Behalve een paar autofabriekjes heeft het ook een platenmaatschappijtje geleid door ene Berry Gordy: Tamla-Motown. Ik weet dat de vergelijking controversieel is, maar toch doe ik het weer eens: Berry Gordy heeft een overeenkomst met Johnny Hoes van Telstar. Beide zien hun platenmaatschappij als een fabriek waarin de zangers, zangeressen en muzikant de arbeiders zijn. Zij krijgen een loontje, ongeacht of van hun plaat vijf of vijf miljoen worden verkocht. De winst op de platen wordt weer in nieuwe artiesten gestopt en natuurlijk pikt de directie ook een graantje mee. Mary Wells is in 1964 de eerste die deze methode van Gordy hekelt en de rechter om ontbinding van haar contract vraagt. In 1967 wordt ze gevolgd door Kim Weston en haar man William 'Mickey' Stevenson en zullen ook Holland-Dozier-Holland niet veel later de boel achter zich laten. Waar Mary Wells hinder heeft ondervonden van de wraak van Gordy en na 'My Guy' geen hit meer heeft gehad, daar maakt Weston hetzelfde mee als ze voor MGM het uitstekende 'I Got What You Need' uitbrengt. MGM biedt Stevenson vervolgens aan om een soul-afdeling aan de westkust te beginnen: Venture Records.

Mickey Stevenson is vanaf het begin betrokken bij Motown, aanvankelijk als A&R-manager. We hebben de ontdekking van Martha Reeves aan hem te danken. Bovendien schrijft Stevenson mee aan enkele grote hits op het Motown-label en noemt The Miracles haar hit 'Mickey's Monkey' naar Stevenson. Voordat hij in 1959 bij Motown aan de slag gaat, heeft hij ervaring opgedaan in de gospel en de doowop. Hij is niet alleen verantwoordelijk voor de eerste plaat op Motown, van Marv Johnson, maar stelt ook de eerste band samen. Die band zal vaak van personeel veranderen, maar desondanks is The Funk Brothers voor 90 procent verantwoordelijk voor de typische Motown-sound. De laatste hit van Stevenson op het Motown-label is 'It Takes Two', het duet tussen Marvin Gaye en Kim Weston. Weston heeft voordien eigenlijk geen grote hits gehad, maar wist zich verzekerd van een regelmatig terugkerende royalty-cheque. Nadat 'It Takes Two' een klapper was geweest, rekende ze zichzelf rijk. Toch kwam gewoon de ouderwetse cheque met het ongewijzigde bedrag binnen. Toen ze verhaal ging halen bij Gordy kreeg ze nul op het rekest. De opbrengst van 'It Takes Two' zou alweer geïnvesteerd zijn in een nieuwe elpee. Stevenson is eveneens teleurgesteld dat hij niet mag meedelen in het succes van Motown ondanks zijn inbreng en het koppel vertrekt in 1967. Eerst beginnen ze samen het label People, maar als Weston een paar maanden later een kans krijgt bij MGM, pakken ze dat beide aan. Stevenson krijgt een miljoen dollar om de scepter te zwaaien over het Venture-label. Ondanks enkele fijne producties op het Venture-label heeft Stevenson zijn gouden vingertoppen achtergelaten bij Motown en in 1969 sterft Venture een zachte dood. De eerste plaat op Venture is van Calvin Arnold, de tweede is 'Down In The Ghetto' van The Major IV. De groep maakt nog twee singles voor het label, waarvan 'All Of My Life' uit 1968 de bekendste is. Calvin Arnold is met 'Funky Way To Treat Somebody' met 605 de eerste uit de catalogus van Venture, Madelyn Quebec sluit in 1969 de rij met 639. The Ballads, The Seven Souls en The Natura'elles zijn andere vermaarde namen die uitkomen voor het Venture-label. Gezien het aantal ex-medewerkers van Motown dat Stevenson heeft aangenomen, is bijna sprake van een soort bogus-Motown.

Stevenson gaat zich in 1969 toeleggen op musicals en brengt ons in 1973 nog een groet middels 'Happiness (Is A State Of Mind)' van Jackye Gerard. Gruwelijk ondergewaardeerd, maar één van mijn favoriete soul-plaatjes en onlosmakelijk verbonden aan mijn binnenkomst op Wolfman Radio.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten