vrijdag 16 mei 2014

Van hit naar her: Duke Dumont



Na de 'Northern Soul Jukebox' twee jaar lang van alle kanten te hebben gehoord, heb ik in februari mijn mp3-spelertje leeggekieperd. Eerst is het een selectie van Floorfillers, de Lucky Dip-shows die ik heb gedaan en een select groepje Northern Soul-platen, vervolgens graaf ik diep in de Floorfillers-archieven en stel een lijst samen met alleen maar dance. Gedurende april heb ik naar alle overgebleven podcasts geluisterd en nu ben ik weer terug bij de dance. De 'random' is uitgezet en dus gaat het mooi op het rijtje af. En warempel, ik begin zo weer wat oudere dingen te waarderen. Over een week heb ik alle dance gehad en denk dat ik dan nog eens hetzelfde ga doen met de 'Northern Soul Jukebox'. Consequentie is wel dat je soms een half uur naar dezelfde artiest moet luisteren, maar dat is vooralsnog geen straf geweest. Neem nou Duke Dumont. Ik heb zijn beide singles zo ongeveer grijsgedraaid in mijn Floorfillers-show, maar gistermiddag gebeurde het zomaar opeens dat ik met andere oren naar beide liedjes ging luisteren. Toen ik gisteravond ter voorbereiding van Floorfillers de Engelse hitlijst doornam, herinnerde ik het me opeens: 'I Got U' is vorige week in Engeland opnieuw in de hitparade gekomen. En dus... kan ik hem meenemen in Van hit naar her. De centrale plaat is 'I Got U' van Duke Dumont & Jax Jones.

Gisteravond memoreerde ik het weer eens. 'Clarity' van Zedd is terug in de dance-charts en ditmaal heb ik geen invloed gehad. Wel een andere 'gouwe ouwe' die plotseling is teruggekeerd, maar dat terzijde. 'Clarity' was in augustus de eerste nieuwe plaat die ik in Floorfillers draaide. Ik vond het nummer dermate goed dat ik hem tussen de gouwe ouwen durfde te stoppen en kreeg meteen positieve respons. Als 'Clarity' niet op mijn pad was gekomen, was Floorfillers een ordinaire disco-show gebleven en was in september een zachte dood gestorven. Bijna tien maanden later doe ik nog steeds Floorfillers en met erg veel plezier! De show heeft mij, alsook enkele luisteraars, een hernieuwde interesse in dance gebracht. Laat SlamFM, 538 en Tiësto even achterwege en je ontdekt dat de lat in de hedendaagse dance erg hoog ligt. De tijd van 'loop 1 uit drumcomputer, synthesizer-deuntje en een loze kreet' is binnen de serieuze dance passé. Het wordt nog volop gemaakt, maar meuk is van alle tijden. Met name in Engeland en Duitsland broeit het in de dance.

De hoofdrolspeler van vandaag komt uit Engeland. Op 27 augustus 1982 komt hij ter wereld als Adam Dyment. Dave Taylor, alias Switch, is zijn mentor en dankzij hem krijgt Duke Dumont de kans zijn eerste kunsten te vertonen. Hij doet dit middels remixen van onder andere 'The Fear' van Lily Allen en 'Daniel' van Bat For Lashes. In maart 2007 brengt hij een EP uit: 'The Regality EP', die een jaar later wordt gevolgd door 'The Dominion Dubs'. Voor de hippe Londense club Fabric mixt hij het album 'FabricLive.51', maar toch gaat het bewerken van andermans' materiaal hem gauw vervelen. Duke wil zelf muziek maken en in 2011 laat hij Londen achter zich om in Hertfordshire een studio te openen.

Gedurende 2012 verschijnen twee EP's van zijn hand: 'For Club Use Only Vol. 1' en het vervolg 'Vol. 2'. Toch worden beide EP's opgepikt door de BBC en dit brengt Duke enige naamsbekendheid. Het levert hem weer een paar aanbiedingen op voor remixen, maar op 31 maart 2013 verschijnt de plaat waarmee Duke van het ene op het andere moment een bekende Engelsman wordt: 'Need U (100 Percent)'. Hij is dan inmiddels zijn eigen platenlabel begonnen, Blasé Boys Club, en maakt voor zijn eigen werk gebruik van artiesten uit deze stal. Op 'Need U' horen we A*M*E. A*M*E is de artiestennaam van Aminata Kabba. Kabba is op de 13 december 1994 geboren in Sierra Leone, maar woont het grootste gedeelte van haar jonge leven in Engeland. Ze is singer-songwriter en vanwege deze reden heeft Duke Dumont haar binnengehaald. 'Need U' is vanaf de eerste dag een monster van een hit. Niet alleen doet de plaat goede zaken in Engeland, maar zelfs Nederland gaat overstag. Hier bereikt de plaat een achttiende plek in de Top 40 en verblijft vier maanden in de lijst. Hoewel Pitchfork in juli van het vorige jaar al een nummer laat 'lekken' van het nieuw te verschijnen album van Duke Dumont, is deze tot op de dag van heden nog niet uitgekomen. Wel presenteert Duke Dumont in december zijn nieuwste single en dat is dus 'I Got U'. Jax Jones is een multi-instrumentalist en dance-producer die eveneens onder contract staat bij Blasé Boys Club. De zangeres op de plaat krijgt geen 'credit' als bij 'Need U'. Het is een sessie-zangeres met de naam Kelli-Leigh.

Hoewel 'I Got U' beslist niet minder is dan zijn voorganger, is het succes maar mondjesmaat. In Engeland staat het eerst slechts zes weken in de Top 40. Vorige week kwam die binnen op nummer 19 en deze week is de plaat een plekje gezakt. In Nederland haalt het net niet de top tien van de Tipparade.

Wat ik knap vind aan het werk van Duke Dumont is dat hij zich laat inspireren door grote producers uit de jaren tachtig als Nile Rogers/Bernard Edwards en Stock/Aitken/Waterman zonder dat hij nu écht een liedje of een 'sound' probeert na te doen. Daarbij moet wel gezegd worden dat 'I Got U' voor een groot gedeelte uit een flard van 'My Love Is Your Love' van Whitney Houston bestaat, maar het ligt er niet dik op. Duke erkent dat hij het nummer heeft gebruikt om een eerbetoon te brengen aan één van zijn meest favoriete platen. In het geval van 'Need U' klinkt het als een stijlvolle productie van Rogers/Edwards uit de eind jaren tachtig, maar zonder de kitsch waar menig producer zich schuldig aan maakt. Duke Dumont heeft zo gezegd twee singles op zijn naam staan, een album dat nog moet uitkomen en hij heeft het wiel nog niet uitgevonden. Toch is het een naam om in de gaten te houden!

woensdag 14 mei 2014

Raddraaien: Dave & Ansil Collins



Het maakt ook niet heel veel verschil of ik vandaag of vrijdag twee berichten publiceer en dus doe ik het vandaag. Op donderdagavond heb ik Floorfillers, waardoor het schrijven op Soul-xotica doorgaans weinig wordt. In deze zevende serie zitten ook weer een aantal plaatjes uit de Blauwe Bakken. Dit is de eerste. Inmiddels bestaat de Blauwe Bak uit twee compleet gevulde koffers van elk 280 singles met 'pure' Northern Soul en aanverwanten, maar heb ik ook nog drie 'reservebakken': Disco en andere leuke bijgerechten. Eén van die drie bakken is trouwens de originele Blauwe Bak, maar dat terzijde. Deze drie reservebakken zijn een 'mixed bag' waar ik hoognodig weer eens in moest schiften, want er staat teveel tussen wat er niet thuis hoort. De Raddraaier die ik nu ga behandelen, zit wat dat betreft op het randje. Ik heb meerdere oude reggae-dingen in die bak zitten en met name op plekken als De Buze kunnen ze altijd van pas komen. Ik weet niet of het de volgende opruiming gaat overleven of dat deze terug gaat in de algemene jaren zeventig-bakken. Vandaag 'mag' hij dus: 'Monkey Spanner' van Dave & Ansil Collins (1971).

Natuurlijk heb in de begin jaren tachtig wel iets van Bob Marley en Peter Tosh meegekregen en met de opleving van June Lodge en Wayne Wade weet ik in 1982-83 donders goed wat reggae is. Toch is de ontdekking van de 'oude' reggae voor mij wel een openbaring. Dit gebeurt in eerste instantie middels die mysterieuze single die ik bij Sunrise tegenkom. Het blijkt 'Return Of Django' te zijn, een vroege Lee Perry-productie onder de noemer van The Upsetters. In datzelfde jaar heeft de Nederlandse band The Sundance Kid een tipnotering met 'Double Barrel', later in de zomer koop ik de single uit de uitverkoopbak. Pas na die tijd leer ik het maffe origineel kennen van Dave & Ansil Collins. Gedurende het jaar 1993 koop ik zowel 'Double Barrel' als de Amerikaanse Big Tree-uitdossing van 'Monkey Spanner'. Met name die laatste heeft mijn hart altijd sneller doen kloppen. Vorig jaar maart kwam ik deze Duitse Ariola mét fotohoes al eens tegen bij King Kong in Leeuwarden en meende ook dat ik hem had gekocht, maar bij nadere inspectie thuis zit de plaat daar niet tussen. Een paar weken geleden kom ik de plaat alsnog tegen in Wolvega en sindsdien zit de single in de Blauwe Bak.

David John Crooks wordt op 10 oktober 1947 geboren in Kingston op Jamaica. Zijn vader is reeds vertrokken naar Amerika als hij ter wereld komt, in 1951 vertrekt zijn moeder naar Engeland. De kleine David blijft achter bij haar familie. Middels de Amerikaanse radiostations maakt David kennis met Otis Redding en James Brown en zij inspireren hem te gaan zingen. Zijn eerste groep heet The Two Tones, maar het is van korte duur. Dave maakt even deel uit van The Techniques, werkt met grootheden Coxsone Dodd en Harry J. en neemt een plaatje op met Glen Brown (als Glen & Dave). Deze laatste stelt Lee 'Scratch' Perry voor aan Dave. Dave neemt 'Prisoner Of Love' op voor Perry die vervolgens Crooks een naamsverandering voorstelt. Dat wordt dus Dave Barker. Als aanvulling op zijn hoge tenor-zang, zou Barker het 'blaffen' van Amerikaanse deejays kunnen toepassen. Hoewel de Jamaicaanse reggae-scene erg uitgebreid is, kom je ergens in het verhaal altijd Bob Marley tegen en Barker voorziet in 1971 The Wailers' 'Small Axe' van vocalen. In maart 1971 wordt Barker gekoppeld aan toetsenist Ansil Collins en brengt hun single 'Double Barrel' het tot een eerste plaats op zowel de Nederlandse als de Engelse hitparade. De drummer op deze hit is niemand minder dan Sly Dunbar.

Voor zijn naam bestaan verschillende spellingswijzen, ik hou zelf de naam aan zoals deze op het hoesje van 'Monkey Spanner' is afgedrukt. Toch is zijn geboortenaam Ansell Collins, maar dit wordt eveneens gespeld als Ansel. Hij is in 1949 geboren in Kingston. In de late jaren zestig werkt Collins met de band The Invincibles en werkt rond 1970 samen met Lee 'Scratch' Perry. Dit resulteert in het gelegenheidsduo Dave & Ansil Collins. In Engeland is in die jaren al sprake van een heuse 'skinhead/boss reggae'-scene. Deze oorspronkelijke skinheads hebben niets gemeen met de racistische oproerkraaiers uit de jaren tachtig en negentig, met dien verschil dat de laatste het uiterlijk van de originele skinheads heeft overgenomen. Goed beschouwd is de skinhead-beweging in Engeland een tegengif op de artistieke flower power-beweging. Leuk detail is dat Chas Chandler aanvankelijk het plan heeft om Slade groot te maken in dezelfde skinhead-beweging, maar dan ontdekt dat deze niet van rockmuziek houden.

Terug naar het duo Dave & Ansell/Ansel/Ansil Collins. Dat heeft met het bereleuke 'Monkey Spanner' een logische opvolger en het nummer bereikt in Engeland de rand van de top tien. De platenmaatschappij viert het vervolgens met een elpee, maar het duo houdt niet lang stand. Eén van Barker's kreten uit 'Monkey Spanner' zal nog vaak herhaald worden op de radio: Chas Smash' introductie in 'One Step Beyond' leent 'the heavy heavy monster sound' van 'Monkey Spanner'. Ook 'don't watch that, watch this' is afkomstig van Dave Barker maar dan uit het lied 'Funky Funky Reggae'. In 1981 komt het duo nog eenmaal bijeen, maar dat is geen succes. Sindsdien woont Barker in Engeland en zingt met tal van soul-groepen. Collins heeft met een keur van grote Jamaicaanse namen gewerkt en met de grote Jimmy Cliff.

Raddraaien: Daniel Boone



Raddraaien is niet alleen een verrassende bezigheid, niet wetende waar het bericht van die avond over zal gaan, maar het brengt eveneens artiesten en groepen onder de aandacht die ik anders zou zijn vergeten. Neem nou Shepstone & Dibbens. Ik dacht tot zondag dat The Rokes 'gewoon' een Italiaanse popgroep was en dat het een hit had met een cover van The Grassroots. Vanmiddag kwam ik opeens die tweede single van het duo tegen, maar ik heb de portemonnee in de zak gehouden. Hij ligt bij een kringloopwinkel in Meppel en zal daar over drie maanden nog steeds liggen, dus ik vermoed dat die hoe dan ook nog wel in mijn koffers gaat komen. Zonder het Raddraaien was dit uitgesloten geweest, maar inmiddels ben ik nieuwsgierig geworden. Dan de Raddraaier van vandaag. Natuurlijk heeft iedere programmamaker zijn of haar favorieten, maar vaak zijn deze wel te verklaren. Dat onze stoere radiobaas, een punker in hart en nieren, geregeld 'Beautiful Sunday' van Daniel Boone draait, vind ik op zijn minst merkwaardig. Hem, Daniel Boone, hebben we vandaag te gast met een single die alleen in Europa is uitgebracht. Mijn exemplaar is de Franse van de bovenstaande fotohoes: 'Love Spell' (1974).

Zijn naamgenoot wordt in het verhaal over Daniel Boone nauwelijks genoemd, maar toch neemt deze Peter Green in de vroege jaren zestig een pseudoniem aan. Omdat Peter Green pas in 1967 bij John Mayall's Blues Breakers furore maakt, lijkt het me onwaarschijnlijk dat 'onze' Peter Green dáárom een andere naam heeft aangenomen. Peter Charles Green komt op 31 juli 1942 ter wereld in Birmingham. Als zestienjarige formeert hij de band The Beachcombers waarmee vooral de omgeving wordt platgespeeld. In 1962 bestaat deze band uit zanger-gitarist Green, Peter 'Mac'McGinty op bas, zijn broer Donald McGinty op drums en tweede zanger Bobby Coral. De groep klinkt in dat genoemde jaar zeer professioneel, tot aan de achtergrondzang aan toe. In dat jaar ontmoet de groep Tommy Bruce in een club. Bruce heeft in 1960 een dikke Engelse hit gescoord met 'Ain't Misbehavin' en enkele van zijn latere plaatjes zijn uitgebracht als Tommy Bruce & The Bruisers. Toch bestaat tot 1962 praktisch geen vaste groep met die naam, Bruce maakt gebruik van studiomuzikanten, maar als hij The Beachcombers heeft gehoord en gezien, weet hij het zeker: Hier zijn The Bruisers.

Door het werk met Tommy Bruce komt Green en zijn gevolg terecht bij EMI en bij de manager van Bruce: Barry Mason. In 1963 heeft Green zoveel vertrouwen gewonnen bij de platenmaatschappij dat hij een single mag opnemen: 'My Heart Commands Me', welke hij uitbrengt onder de naam Lee Sterling. Kort daarna schrijft hij samen met manager Mason 'Blue Girl' voor The Bruisers. Het is notabene de eerste maal dat Mason een liedje schrijft en eveneens de eerste maal dat het hem op de hitparade brengt. Mason zal vanaf de jaren zestig een pact sluiten met Les Reed en het duo voorziet Tom Jones en anderen van talrijke hits. In 1964 verschijnt de eerste single van Peter Lee Sterling, de nieuwe naam van Peter Green. Als Peter Lee Sterling wordt hij eveneens een populaire songschrijver. 'I Think Of You' en 'Don't Turn Around' zijn van zijn hand en doen goede zaken voor The Merseybeats. In 1965 schrijft Sterling de Britse inzending van het Eurovisie Songfestival. In de uitvoering van Kathy Kirby eindigt 'I Belong' als tweede achter France Gall. The Bruisers valt na een reeks flops in 1967 uiteen en Sterling wordt mede-eigenaar van een platenstudio in Londen die zich als doel heeft gesteld om de grote hits uit die tijd te 'coveren'. Hij sluit zich aan bij de studiogroep Hungry Wolf en maakt een elpee met hen. Als deze groep overgaat in Rumpelstiltskin werkt Peter Lee Sterling eveneens met hen op de volgende twee albums, die allemaal erg gezocht zijn onder verzamelaars van psychedelica en Britse progressieve rock.

In 1971 begint Peter Green een langdurige samenwerking met Larry Page, voormalig manager van The Troggs. Page's eerste platenmaatschappij, Page One, is dan net opgeheven en hij is reeds aan de slag met een tweede: Penny Farthing. Green wordt aangenomen als songschrijver, maar verandert wel zijn naam in Daniel Boone. De naam 'leent' hij van de Amerikaanse volksheld. Natuurlijk begrijpt Page dat je iemand als Daniel Boone gerust een plaatje kan laten maken en in 1971 heeft hij een bescheiden Engels succes met 'Daddy, Won't You Walk So Fast'. Vertaal dit letterlijk naar het Nederlands en... je krijgt 'Pappie Loop Toch Niet Zo Snel'. De deun wordt in Nederland een grote hit voor Herman Van Keeken, daarbij vergeleken is de nummer 17 in Engeland een 'flop'. Toch is dit nummer niet een compositie van Boone, maar van de vooraanstaande schrijvers Geoff Stephens en Peter Callander. De opvolger, 'Mama', is de eerste compositie van Boone met zijn nieuwe compaan Rod McQueen, maar deze raakt kant noch wal. Op een zekere ochtend komt het duo zeer opgetogen het kantoor binnen van Terry Noon. ,,Wij hebben gisteren een hit geschreven", roept het duo enthousiast, maar Noon heeft in eerste instantie nog weinig aandacht voor hun nieuws. Hij heeft de verhalen immers vaker gehoord. McQueen en Boone bedanken voor de thee en herhalen hun boodschap. Noon zucht en neemt contact op met Larry Page. Even later zijn de heren samen in een klein kamertje met een piano. Het liedje is nog niet eens af, maar het moment is onvergetelijk voor zowel Noon als Page. ,,Ik wil het volgende week op de plaat hebben staan", besluit Page. Zo gezegd, zo gedaan.

Het nummer in kwestie heet 'Beautiful Sunday' en is overal ter wereld meteen een grote hit. Het is in Japan zelfs de bestverkochte plaat van een westerse artiest! 'Beautiful Sunday' piekt op 13 in de Top 40 en wordt in andere landen vertaald tot aan een Russische cover uit 1996 toe. Boone zélf vindt zijn beste oude dag-voorziening in Duitsland, mede dankzij Duits gezongen versies van 'Beautiful Sunday' en 'Annabelle'. In zowel de Engelse als de Amerikaanse discografie ontbreekt 'Love Spell', een soort van 'Beautiful Sunday deel 7', maar met name in Duitsland en Frankrijk kent 'Beautiful Sunday' een rits opvolgers. In Nederland staat alleen 'Skydriver' in 1973 even in de Tipparade. Ik haal deze Franse persing in harde kartonnen fotohoes bij Buster vandaan, het muffe boekwinkeltje in Sneek waar ik meerdere leuke dingen vandaan heb getrokken. Dat moet in 1992 zijn geweest. Ik moet bekennen dat ik hem soms nog wel eens op de draaitafel leg.

Boone is nog immer onder ons, over zijn handel en wandel sinds de midden jaren zeventig is echter weinig geschreven. Toch duikt hij in 1992 nog op als schrijver van twee liedjes op 'Athens Andover' van The Troggs. Dat album is geproduceerd door een stel Troggs-fans die plots erg populair zijn geworden: REM.

dinsdag 13 mei 2014

Week Spot: Dorothy Morrison



,,Modern Soul is de nieuwe Northern Soul", las ik onlangs in een commentaar. Het zijn ware woorden. Bij Northern Soul gebeurt het weinig dat een plaat vandaag een kwartje waard is en morgen tweehonderd euro, maar bij Modern Soul kun je dat nog treffen. Met dezelfde geestdrift waarmee dj's in de jaren zeventig zochten naar 'nieuwe' Northern Soul-hits, zo gaat het tegenwoordig in de Modern Soul. In deze aflevering van de Week Spot presenteer ik jullie niet alleen een schoonheid uit de Modern Soul, maar zal tevens uitleggen wat dat genre nu precies inhoudt. De plaat is de laatste weken al eens ter sprake gekomen. Een single die bij een Engelse dealer voor honderd pond staat geadverteerd, bij een Amerikaan voor 140 dollar en eentje op Ebay met een laag startbedrag en zonder biedingen. Het is desondanks een kostbaar avontuur geworden en de plaat staat met stip op 1 van de duurste plaat tot nu toe. Toch is het een trots bezit en dus presenteer ik jullie vandaag de nieuwe Week Spot: 'I Can't Go Without You' van Dorothy Morrison (1975).

Ja, ook ik dacht het eerste aan de actuele R&B toen ik van de term Modern Soul hoorde. Niets is minder waar. Net zoals Northern Soul is ook Modern Soul een benaming die pas jaren na de opnames van de platen is ontstaan. Wat is nu 'modern' aan Modern Soul? Northern Soul is veelal muziek uit de midden tot de late jaren zestig. Iedere zwarte ondernemer droomde ervan net zo beroemd te worden met een platenlabel als Berry Gordy van Motown. Op iedere straathoek stond wel een getalenteerde soulzanger, zangeres of groep en het was zaak om deze mee te nemen naar een platenstudio, vervolgens een single te persen en daarna 'binnen te lopen'. Ja, dat laatste hoort tussen aanhalingstekens, want hier ging het voor menigeen mis. Er wordt vaak vergeten dat ook Berry Gordy twee flops had voordat hij een hit scoorde. Voor die derde plaat had hij afspraken gemaakt met zijn schoonfamilie. Als die plaat opnieuw zou floppen, zou Berry terug naar de Ford-fabriek en zijn halve leven werken om de schulden van de drie singles af te lossen. Gelukkig werd die derde single een hit en kon hij in één klap de schulden afbetalen en een vierde single opnemen. In acht van de tien gevallen liep het tien jaar later anders af voor de hoopvolle ondernemers. De geperste plaatjes verdwenen in pakhuizen of werden soms vernietigd, waardoor een aantal tegenwoordig zéér zeldzaam zijn.

Deze jonge ondernemers hebben geen budget, de plaatjes moeten zo goedkoop mogelijk worden opgenomen en uitgebracht. Je moet de radiostations immers al genoeg smeergeld betalen om het op de speellijst te krijgen... Terwijl in de Londense Abbey Road-studio The Beatles werken aan uitgebalanceerde stereo-platen als 'Sgt. Pepper' en het witte album, zijn veel Amerikaanse soul-artiesten nog overgeleverd aan budget-studio's met hopeloos verouderde apparatuur en het weinig complimenterende styreen voor een single. Met als gevolg dat de plaatjes even stoffig klinken als de doowop uit de jaren vijftig, afschuwelijk mono, apparatuur die de dynamiek van een liedje nauwelijks kan bevatten en het flutterige styreen als eindresultaat. Toch neemt de techniek een grote vlucht. Rond 1971 hebben zelfs de goedkoopste opnamestudio's de beschikking over apparatuur om een mooi stereo-geluid voort te brengen. De Northern Soul-puristen, gewend aan de harde mono-opnames, halen hun neus op voor deze uitgebalanceerde plaatjes en zo ontstaat omstreeks 1973 de term Modern Soul. Lange tijd een soort van vloek om je afschuw jegens 'Don't Send Nobody Else' van Ace Spectrum kenbaar te maken, maar sinds een paar jaar een heuse 'scene' waarin we vooral veel voormalige Northern Soul-dj's tegenkomen. Het is hun een doorn in het oog geweest dat met name in The Casino in Wigan bubblegum en pure pop werd toegelaten en zij willen terug naar de oorsprong: De soul.

Eigenlijk onderscheidt een Modern Soul-plaat zich niet van een disco-hit, maar evenals in de Northern Soul mogen de platen geen hits zijn geweest. Hoe obscuurder, hoe beter. Toch zijn de platen destijds niet met die intentie opgenomen, er moest immers een hit worden gescoord. Evenals bij Northern Soul is de scheidslijn moeilijk aan te brengen, maar ik zou zeggen: Alle disco die geen hit is geweest, niet té mechanisch is en met een opvallende soulvolle zang. Maar dan ook weer niet alles. 'I Can't Go Without You' had zomaar een hit kunnen zijn, maar was het niet, waardoor het in de Modern Soul vrij groot is. Als 'I Will Survive' van Gloria Gaynor geen hit was geweest, had dit nu wel eens gewild kunnen zijn in de Modern Soul.

Iedereen kent Dorothy Morrison! Waarschijnlijk niet de naam, maar haar stem des te beter. Dorothy Combs Morrison is afgelopen donderdag zeventig geworden. Ze wordt geboren in Texas als zevende van tien kinderen. In 1957 neemt ze haar eerste single op, 'I Am Free', met haar broers en zussen als The Combs Family. Met dit gospelkoor vrolijkt ze menig kerkdienst op in de omgeving van Oakland en San Francisco. In de jaren zestig neemt ze plaats in een koor, opgericht door pianist Edwin Hawkins. Het koor heet officieel Northern California State Youth Choir en is onderdeel van de geloofsgemeenschap Church Of God In Christ. Het koor telt bijna vijftig leden en met hen neemt Hawkwins in een kerk in Californië een elpee op waarvan maar liefst zevenhonderd worden geperst. Eén van de liedjes, 'Oh Happy Day', trekt de aandacht van platenmaatschappij Buddah die speciaal hiervoor het Pavillion-label opricht en de single uitbrengt als The Edwin Hawkins Singers. De dame die de leadzang voor haar rekening neemt is... Dorothy Combs Morrison! Elektra ziet wel brood in solo-platen van Morrison en eind 1969 verschijnt de single 'Rain'. Het gospel-geluid is dan even populairder dan ooit en Morrison plukt daar de vruchten van. Later heeft ze nog een hit met 'Border Song', het Elton John-nummer met een lichtelijk aangepaste tekst. Elektra brengt in 1971 nog een elpee uit van Dorothy waarop ze meer bekende hits van een nieuwe religieuze tekst voorziet. Kort daarna verlaat de gospel de hitparade en keert terug in de kerk op zondagochtend. Morrison komt zonder een contract te zitten.

De precieze details rondom de Week Spot ontbreken, maar feit is dat ze in 1975 'I Can't Go Without You' opneemt voor het obscure Brown Door-label. Ik word in 2014 het eerst verliefd op het intro. Het plaatje zelf heeft enige draaibeurten nodig voordat ik het kan waarderen, maar dit was teveel een buitenkans om te laten liggen. Als deze niet was bevallen, was ik hem immers binnen een kwartier voor het dubbele kwijt! Dan te bedenken dat de single nog niet zijn hoogtepunt heeft gehad... Dit is waarschijnlijk de beste investering geweest die ik in tijden heb gedaan, deze gaat alleen maar stijgen in prijs! Dat doet er overigens helemaal niet toe, want voorlopig blijft de plaat mooi in mijn koffer wonen...

maandag 12 mei 2014

Raddraaien: Ralph McTell



Mocht ik ooit nog eens een partner in mijn leven krijgen, dan denk ik dat de kledingstukken over een knaapje in de kast komen te hangen. Tot die tijd kunnen ronddwalende broeken en t-shirts erg ondeugend zijn. Ze kunnen bijvoorbeeld een bakje singles warm houden, zonder dat de eigenaar dat in de gaten heeft. Ik was vorige week maar begonnen bij de tweede titel in het overzicht van Raddraaien, omdat ik het eerste bakje niet kon vinden. Welnu, op zoek naar de vijfde bak die nu weer even verdwenen is, kom ik opeens het bakje met Kate & Anna McGarrigle tegen, dus daar gaan we. Elf plaatjes verderop in deze jaren zeventig-bak staat een liedje dat oorspronkelijk uit 1968 stamt en drie levens heeft. De Raddraaier van vandaag is 'Streets Of London' van Ralph McTell, de Nederlandse uitgave uit 1972.

Frank May is voor de oorlog de tuinman van de Engelse componist Ralph Vaughan Williams en tijdens het grote meningsverschil ontmoet hij Winifred Moss met wie hij trouwt op het moment dat hij even 'vrij' is van het leger. Frank is niet bij de geboorte van zijn eerste zoon, die wordt genoemd naar diens' voormalige werkgever. Ralph May wordt op 3 december 1944 geboren. Zijn moeder komt oorspronkelijk uit Londen, maar is bij haar zuster gaan wonen in Banbury. Toch staat de wieg van Ralph in Kent. Het huwelijk levert nog een zoon op. Bruce wordt in 1946 geboren en Frank komt een jaar later thuis. Daar kan deze niet aarden en hij verlaat zijn gezin in 1947 om nooit meer terug te keren. Ralph is nog maar drie jaar oud, maar voelt feilloos het verdriet van zijn moeder. ,,Ik zal voor je zorgen", zal hij troostend zeggen. Ralph erkent zelf later dat hij zijn vader eigenlijk nooit echt heeft gekend. Het is geen vetpot bij moeder, maar desondanks lijden de broertjes Ralph en Bruce daar allerminst onder. Ze gaan vaak logeren bij familie en Ralph krijgt al op jonge leeftijd een plastic mondharmonica. Zijn grootvader heeft een echte en maakt hem wegwijs op het instrument. Ralph is van kinds af aan een observator, veel van zijn herinneringen zullen in de loop der jaren worden vastgelegd in liedjes. Dat die liedjes soms een beetje lijken op kerkgezangen is geen toeval, Ralph koestert warme herinneringen aan de zondagschool.

Op school voelt hij zich een 'outsider'. De andere kinderen zijn veel welvarender dan hem en ondanks dat hij een groep vrienden heeft, voelt Ralph alsof hij hier niet 'past'. In 1959 'vlucht' hij het leger in, maar dat is nog minder dan het dagonderwijs. Niet veel later koopt hij zichzelf vrij van het leger. In die tussentijd is Ralph verslingerd geraakt aan rock'n'roll en skiffle-muziek. Hij heeft een banjo gekocht en met behulp van een lesboek door George Formby tokkelt hij erop los. In de begin jaren zestig maakt hij deel uit van de beatnik-generatie. Hij maakt kennis met de negroïde Amerikaanse muziek en het zijn met name de bluesgitaristen uit de jaren twintig die zijn hart sneller doen kloppen. Al snel wisselt hij de banjo in voor een gitaar. Ralph leidt een zwervend bestaan. Hij speelt soms in folkclubs en probeert een boterham te verdienen met eenvoudig fabriekswerk. Hij komt op zijn reis andere 'vrije geesten' tegen. Onder hen bevinden zich Jacqui McShee (vanaf 1968 de zangeres van The Pentangle), Martin Carthy (die veel werkt met de violist Dave Swarbrick) en Wizz Jones. Hij gaat een kort dienstverband aan met The Hickory Nuts, een bluegrass-groep die een lange weg aflegt van louche clubs naar gerespecteerde zalen. Toch lonkt het avontuur en in 1965 steekt McTell de Noordzee over.

Als straatmuzikant verblijft hij in Frankrijk, België, Duitsland, Griekenland en Joegoslavië. Dat laatste land is anno 1965 een hip vakantieland, maar McTell merkt op dat hij toen al 'spanning' voelde. Hij verliest zijn hart in Parijs en zal daar een groot deel van de tijd doorbrengen. Hij maakt daar kennis met Gary Petersen, een gitarist die in de leer is geweest bij Reverend Gary Davis, een legendarische gitarist. Van hem leert May het ragtime-spel. In de lente van 1966 ontmoet hij zijn aanstaande, de Noorse studente Nanna Stein. Zij gaat met hem mee naar Engeland en het paar woont in een woonwagen in Cornwall. Op 21 januari 1967 bevalt ze van hun eerste zoon. May en Wizz Jones treden geregeld op in de folk-scene van Cornwall en als ze eens samen hun bewondering voor de bluesgitarist Blind Willie McTell bespreken, stelt Jones de artiestennaam Ralph McTell voor. Hoewel Ralph een 'folkie' is, heeft zijn gitaarspel meer gemeen met de bluesmuzikanten uit de jaren twintig en dertig en de naamsverwijzing naar Blind Willie is geheel op zijn plek.

In 1968 komt McTell onder contract bij Transatlantic Records, dat ook The Pentangle en Martin Carthy in dienst heeft. 'Eight Frames A Second' is McTell's eerste plaat. Tony Visconti doet de arrangementen en Gus Dudgeon produceert de plaat. In 1968 zijn deze mannen nog niet heel groot, maar tien jaar later behoren ze tot de top. De BBC schenkt aandacht aan het album en dit levert McTell veel nieuwe verzoeken op voor optredens. Hij huurt zijn broer Bruce in als zijn manager. Tegen het einde van 1968 verschijnt het tweede album, 'Spiral Staircase', en deze bevat de originele uitvoering van 'Streets Of London'. Deze prachtige observatie van McTell wordt overigens in één take opgenomen. In 1969 komt het derde album uit, 'My Side Of Your Window', en McTell ontwikkelt zich razendsnel tot een muzikant van formaat. In 1970 heeft hij een professionele muziekcarriére én een gezin. Hij is in staat om de grotere zalen te doen vullen en in de zomer van 1970 staat hij te midden van de legendarische muzikanten op het Isle Of Wight-festival. De Amerikaanse distributeur van Transatlantic maakt zich niet druk over McTell en eind 1970 brengt Transatlantic de elpee 'Revisited' uit. Dit is een verzamelelpee van McTell's vroege werk in iets gewijzigde arrangementen. Het zou in Amerika de introductie moeten zijn, maar de plaat is vooral in Europa een succes.

In 1971 wordt 'You Well-Meaning Brought Me Here' uitgebracht en Paramount, de Amerikaanse distributeur, voegt om onduidelijke reden de opnieuw gemixte versie van 'Streets Of London' toe aan het album. Deze verschijnt in een paar Europese landen als single. In Nederland klimt de single naar een negende plek in 1972, het bovenstaande fotohoesje is van de Franse persing.

De loopbaan van McTell is lang en boeiend, je zou er bijna een telefoonboek over kunnen vol schrijven en ik moet ergens eindigen. Ik doe het dan maar met het jaar 1974. Inmiddels heeft McTell een contract bij Reprise gekregen en in 1974 neemt hij een nieuwe versie op van 'Streets Of Londen'. Ditmaal wordt hij vergezeld door Rod Clements (ex-Lindisfarne) op bas en de zanggroep Prelude (dat in 1982 in onze Tipparade zal vertoeven met een a capella gezongen 'After The Goldrush'). De plaat wordt uitgebracht op 7 december 1974 en alleen Mud weerhoudt hem van de Britse kerst-nummer 1. 'Streets Of London' piekt op een tweede plek in Engeland en hij ontvangt een Ivor Novello-award.

zondag 11 mei 2014

Schijf van 5: oomdag



Ik heb geen dag de illusie gehad dat ik ooit in mijn leven oom zou worden. Twee broers in Denemarken en een zus die haar kinderen een Friestalige opvoeding geeft, dan hoef je jezelf niet lekker te maken met de eer om 'oom' genoemd te worden. Is trouwens ook helemaal niet erg, want ik ben tweemaal 'omke' en driemaal 'onkel'. Bovendien klinkt het 'omke Gerrit' ook heel vertrouwd in de oren, want ik ben vernoemd naar mijn 'omke Gerrit'. Ik heb de oudste van de vijf vandaag nog even gezien op Facebook, maar niks geen gelukwensen met deze dag. Ik denk dat ik volgend jaar toch wat meer reclame moet maken voor 'onze' dag: Oomdag. Daarom nu voor alle ooms ter wereld een speciale Schijf voor jullie over jezelf. 'We rock the world'!!!

Vanmiddag had ik de eer om wederom de Classic Rock Show te mogen doen op Wolfman, dit wegens een tijdelijke afwezigheid van de collega-presentator die deze wekelijkse show doet. Ik meende een paar jaar geleden even dat ik de rock helemaal was 'ontgroeid', maar het past nog altijd als een handschoen. Omdat de Classic Rock Sunday ook aardig wat Amerikaanse luisteraars trekt, heb ik geprobeerd alle klanten tevreden te stellen. Amerikanen geef je iets van hun trots mee als je als Europeaan iets van Grateful Dead draait. Aanvankelijk wil ik onze nummer vijf doen, maar besluit dan toch om 'Touch Of Grey' uit 1987 te doen. Door een foutje mijnerzijds ging dat vorige week de mist in, maar vanmiddag heb ik het rechtgezet. Ik denk niet dat ik hier Amerikaanse lezers heb, maar desondanks zet ik Grateful Dead op vijf met 'Uncle John's Band' (1970).

Ik heb even het idee gehad om vijf verschillende 'ooms' te doen, maar het viel niet mee om een vijfde variant te bedenken. En deze die ik nu ga presenteren heet eigenlijk ook 'Uncle Satchmo's Lullaby', maar bepaalde Duitse persingen van dit plaatje geven de titel 'Onkel Satchmo's Lullaby' weer. Ik kies dus voor die laatste. We hebben het dan over dat prachtige nummer van brombeer Louis Armstrong met de piepjonge Gabrielle. Als ik me niet sterk vergis, hebben we deze plaat eens als Raddraaier gehad. Vandaag dus op vier in de Schijf van 5.

Op drie een stukje Friese folklore. Volkszanger Doede Veeman heeft op alle fronten de gevoelige snaar te pakken met 'De Begraffenis Fan Omke Wopke'. Als het nummer in 1987 uitkomt, is het vrijwel ongehoord om zo'n dijenkletser over een begrafenis te vertolken. Toch heeft het nummer een moraal. Omke Wopke heeft deze incarnatie verlaten en moet door zijn familie naar zijn laatste rustplaats worden gebracht. In de kerk is het al dikke heibel tussen de zussen en één van de broers gaat op zijn hoge hoed zitten. Onderweg naar de begraafplaats komen ze langs een kroeg en besluiten daar eentje te nemen. Ze schuiven de kist onder het biljart. Ietwat beschonken gaat het gezelschap verder, maar aangekomen bij de begraafplaats blijkt Omke Wopke nog onder het biljart te staan. Als ze hem dan toch eindelijk de grond in hebben 'geschopt', gaat de familie vrolijk verder pimpelen in de kroeg. Je houdt ervan of je háát het nummer, er is geen tussenweg mogelijk. Ik kan er niet genoeg van krijgen en zet 'De Begraffenis Van Omke Wopke' vrolijk op de derde plaats.

Eind augustus 2008 onderneem ik, als DJ Soul-X, een wereldtournee. Op donderdagavond draai ik in Het Pandje in Steenwijk en de daaropvolgende dagen in een café in Hellevoetsluis. Daar is dat weekend feest en zolang dat wordt gehouden, is het ook traditie dat The Amazing Stroopwafels op zondagmiddag een matinee verzorgen. Omdat ik er tóch ben, ga ik ook kijken. Fan-tas-tisch! Ik koop zelfs nog een cd na afloop, maar dat is iets teveel van het goede. De herinnering blijft, om Ben Cramer maar weer eens te citeren. Het duo uit Rotjeknor staat vandaag op twee met hun onsterfelijke 'Ome Kobus' (1981).

De mooiste oom komt echter toch helemaal uit Engeland. Paul McCartney heeft het in de jaren 1970 en 1971 niet gemakkelijk. Omdat hij als 'slecht-nieuws-boodschapper' moest fungeren, krijgt hij het verwijt dat hij The Beatles heeft opgeheven. Dat terwijl The Beatles een jaar eerder eigenlijk al uit elkaar was gegaan en alleen nog in naburige studio's aan een groepsplaat bezig waren. Paul's eerste soloplaten worden unaniem afgeschoten en ook 'Ram' zal aanvankelijk die behandeling krijgen. Toch staat hierop een post-Beatles-nummer dat Beatles-waardig is: 'Uncle Albert/Admiral Halsey'. Die verdient voor mij de eerste plek in deze Schijf van 5.

Volgende week gaan we vijf maal naar het oerwoud. Liedjes met 'jungle' in de titel. Tight Fit valt dus af...

Raddraaien: Shepstone & Dibbens



Ik had gisteravond na de uitzending van The Vinyl Countdown geen inspiratie meer voor een bericht en dus trakteer ik jullie vandaag op een dubbele. Eerst gaan we Raddraaien, gezien dit zaterdagavond ook het idee was geweest. Straks krijgen jullie de Schijf van 5 van mij. De kappers uit de Gouden Gids van de regio Zwolle laten me grasduinen in een bak met jaren zeventig. De vorige plaat uit deze bak was 'Everything Is Beautiful' van Ray Stevens, vandaag doet het Raddraaien me in eerste instantie uitkomen bij deze van Shepstone & Dibbens. Omdat ik de bui al zie hangen, tel ik meteen verder en kom uit bij een plaat van Shocking Blue. Die hebben genoeg in de 'picture' gestaan op Soul-xotica en dus zet ik mezelf schrap voor wat graafwerk. Hiermee wordt het doel van het Raddraaien ook weer behaald, want het huiswerk heeft me het ene en het andere geleerd. De Raddraaier van vandaag is 'Shady Lady' van eendagsvlieg Shepstone & Dibbens (1974).

Als twee talen mijlenver uit elkaar liggen, zijn het wel Italiaans en Engels. Er zijn slechts weinig Italianen die het accent van zich af weten te schudden als ze Engels gaan zingen. Andersom blijkt het wel te werken. Lieden als Cliff Richard, Petula Clark en Sandie Shaw (om een paar te noemen) zingen moeiteloos Italiaanse teksten in op hun bestaande liedjes. Italië heeft daarentegen de wens om een eigen Beatles te hebben. Een groep met internationale allure dat zowel accentloos Engels als vloeiend Italiaans kan zingen. En met dat typische Merseybeat-geluid. Er zit voor de Italianen niets anders op om maar een Engels bandje te adopteren. De keuze valt op een kwartet uit de omgeving van Londen: The Rokes.

Niet alleen hebben de leden van The Rokes haar tot op hun schouder vóór John Lennon en Robert Plant, ook zijn de muzikanten aardig door de wol geverfd. David Norman Shapiro is de kapitein op het schip, hij laat zich echter het liefste Shel Shapiro noemen. Hij maakt korte tijd deel uit van de begeleidingsgroep van Gene Vincent tijdens diens' Engelse tournee in 1959, maar formeert daarna The Shel Carson Combo. De drummer van de groep heet Mike Shepstone, hij is geboren op 29 maart 1943 in Weymouth, Dorset. De groep treedt al snel op in Europese clubs en krijgt een residentie in Hamburg. De groep begeleidt eveneens Tommy Hicks, een zanger die in de late jaren vijftig een paar platen heeft gemaakt. Hicks is de broer van de populaire zanger Tommy Steele. Het is rond deze tijd, 1963-64, dat The Beatles doorbreken en de Merseybeat een feit is. Dan krijgt de groep de uitnodiging om naar Italië te komen. The Shel Carson Combo wordt The Rokes.

Teddy Reno, de echtgenoot van zangeres Rita Pavone, wordt hun manager en in 1965 is hun eerste hit, na een handjevol flops, een feit: 'C'e Una Strana Espressione Nei Tuoi Occhi'. Nee, laat Google Translate maar achterwege, het is een vertaling van 'When You Walk In The Room', de Jackie De Shannon-compositie. De overige titels kunnen een popquiz-rondje worden. In 1967 zijn de Londenaren dusdanig gewend aan het Italiaans dat Shapiro het aandurft om een liedje te schrijven: 'Piangi Con Me'. Omdat het nummer potentie heeft, vertalen ze het ook maar naar het Engels: 'Let's Live For Today' en zo komt het de heren P.F. Sloan en Steve Barri op hun pad. Zij hebben de grootste hit met het nummer door middel van de Amerikaanse band The Grassroots.

Tussen 1965 en 1968 heeft The Rokes een lange stoet hits in Italië variërend van een stampende cover van 'Baby Come Back' tot aan uitstapjes in de psychedelica. In 1968 is de koek op. Shapiro blijft met Johnny Chorlton in Italië hangen. Terwijl de laatste een galerie opent, blijft Shapiro in de muziek en begint in 1977 zijn eigen platenlabel. In de toekomst zal hij met onder andere Riccardo Cocciante werken.

Mike Shepstone keert na het avontuur met The Rokes weer terug in Engeland. Hoe en wat precies, daar laat de geschiedenis ons naar gissen, maar blijkbaar komt hij ergens op zijn pad Peter Dibbens tegen. De twee hebben gemeen dat ze liedjesschrijvers zijn, eigenlijk nog meer voor anderen dan voor henzelf, hoewel de liedjes van Shepstone en Dibbens niet bepaald 'hot property' zijn. In 1974 komt het tot een platencontract voor het duo en het neemt 'Shady Lady' op. In Nederland bereikt de plaat een verrassende zestiende plek en ook in omliggende landen doet de plaat het redelijk. Een tweede single en zelfs een heuse langspeler maken totaal geen indruk en drie maanden nadat 'Shady Lady' van de hitparade is verdwenen, lijken ze voorgoed vergeten. Hoewel de fijnproevers en platenkopers van destijds niet uitgesproken raken over de plaat, is een plek in de Top 2000 uitgesloten. Zelfs al zou het een Top 20.000 zijn, zou 'Shady Lady' waarschijnlijk nog steeds in de 'bubbling under' vertoeven.

In 1975 heeft Peter Dibbens dan toch eindelijk een klant voor een liedje. Voormalig Songfestival-winnares Dana vertolkt zijn 'Please Tell Him That I Said Hello' en oudgediende Bobby Vinton zal het mopje in 1989 eens overdoen. In Duitsland krijgt 'Shady Lady' in 1981 een staartje. Zangeres Wencke Myhre neemt een vertaling op van het liedje: 'Böse Buben'.