dinsdag 7 mei 2013

Week Spot: Jackye Gerard



Een plaatje wordt niet zomaar 'Week Spot'. Niet alleen moet ik bevlogen zijn van een plaat, bovendien moet er een verhaaltje over worden geschreven. In het eerste geval verdient Jackye Gerard de eretitel met glans, maar in het tweede geval? Dat zou een Hoesbui worden, want er valt eigenlijk helemaal niets te vertellen over deze artiest. Er is niks bekend over Jackye. Deze single uit 1973 is haar enige wapenfeit en het is interessant dat de plaat mede-geschreven en geproduceerd is door William 'Mickey' Stevenson. Tot 1968 is Stevenson A&R-manager bij Tamla-Motown en schrijft 'en passant' ook nog een paar liedjes. 'It Takes Two' van Marvin Gaye & Kim Weston is daar eentje van. Stevenson is dan overigens getrouwd met Kim Weston. Over het beloningssysteem van Berry Gordy aan zijn artiesten bestaan wilde verhalen. Kim Weston is één van de mensen die protest aan tekent en eind 1967 met haar echtgenoot de biezen pakt. De machtige hand van Motown doet zich blijken als het uitstekende 'I Got What You Need' op MGM flopt. Gordy had het geintje al eerder uitgehaald bij Mary Wells. Stevenson produceert zo gezegd in 1973 deze enige single van Jackye Gerard, een plaatje waar ik nu opeens wel een lang verhaal kan schrijven. Ik heb komend weekend een klein jubileum...

Een halfjaar op een mensenleven is doorgaans niet veel. Als je een half jaar voor een baas werkt, ga je niet op gebak trakteren. Laat eerlijk zijn. Ik ga dus evenmin de toeters en bellen uit de kast halen, maar het is vrijdag een half jaar geleden dat ik mijn eerste Do The 45 maakte bij Wolfman Radio. Ik was in eerste instantie, sinds een maand, van plan om het enkel te vieren met deze Week Spot, maar... er zitten een paar veranderingen aan te komen. Ik kan niet echt in details gaan hier op Soul-xotica, maar de meesten van jullie zullen wel weten wat er gaat gebeuren?

Maandag 8 oktober. De herfst is begonnen en waar menigeen last krijgt van stemmingswisselingen, daar is voor mij het voorjaar weer begonnen. Ik maak mooie fietstochten, heb het erg naar mijn zin bij de Businesspost en krijg ook steeds warmere reacties over mijn podcasts. Deze maandagmiddag ben ik vroeg klaar en fiets eerst even langs de inbrengwinkel van het Drenthe College. Ik zie er een aardig bankstel staan, maar het is onduidelijk wat het moet kosten. De prijs valt achteraf gezien genoeg mee, maar door een chronisch geldgebrek komt het er toch niet. En met de kennis van nu hoef ik daar ook geen spijt van te hebben! Dan fiets ik nog maar even langs de kringloopwinkel en koop een zwikje singles, waaronder ook deze van Jackye Gerard. Bij thuiskomst gaat deze als eerste op, ik vind hem 'wel aardig'. Later die week publiceer ik de Soul-x-rated met veelal plaatjes uit deze partij. En zo begin ik 'Happiness'van Jackye Gerard vaker te horen. Toch weet ik nog niet goed wat ik ermee aan moet.

Een paar weken later verneem ik via mijn Engelse podcast-volger Anthony dat 'Wolfman naar mij op zoek is'. Dat vind ik vreemd, want ik ben vlak ervoor Facebook-vriend geworden van Wolfman. Nu, maanden later, begrijp ik pas hoe het zit. Wolfman heeft niet naar MIJ gevraagd, maar stelt de vraag in het algemeen. Anthony vond wel dat ik aan de beschrijving voldeed en zo stuur ik Wolfman na een weekje bedenktijd een email. Een valse start. Ik heb door het luisteren naar Wolfman Radio de indruk gekregen dat er geld werd verdiend, zo professioneel klinken ze. Gelukkig springt Wolfman niet uit zijn vel als ik hem mijn salaris-wens kenbaar maak. Nadat dit uit de lucht is gehaald, kunnen we zaken doen. Ik kan gerust twee of drie uren krijgen, maar geef aan dat ik eerst wel tevreden ben met een uurtje. Dat wordt dan zaterdagmiddag, meteen na de dichtbeluisterde 'breakfast show'. De eerste plaat die ik op 10 november draai is 'Baby Make Your Own Sweet Music' van Jay & The Techniques, de tweede moet mijn geluk beschrijven: 'Happiness' van Jackye Gerard.

En sindsdien zit het nummer als gebeiteld! Het staat synoniem aan het begin bij Wolfman Radio. Ik weet niet of de tekst dan helamaal van toepassing is, want het geluk dat ik voel bij Wolfman Radio zit niet alleen in mijn geest, maar is evenzeer een lichamelijk geluk. Ik doe nog wel eens alsof ik kieskeurig ben en doelbewust voor Wolrman Radio heb gekozen, de waarheid is dat Wolfman als eerste op mijn pad kwam, maar als ik naar andere (Engelse) webstations luister, ben ik nog gelukkiger dat ik bij Wolfman terecht ben gekomen! De 'more music variety' bevalt me immers ook beter dan de stations met één specialisme. Over de nabije toekomst moet ik nog even geheimzinnig doen, wie Do The 45 volgt zal vanzelf het verschil opmerken!

maandag 6 mei 2013

Raddraaien: Tony Sherman



Ik kan de hetze achteraf gezien moeilijk herleiden. Ik geloof dat het begon met een nieuwsberichtje over een behoorlijke hoeveelheid afval dat Basf in de Rijn had laten lopen. Maar wellicht dat het ook met de nukken van de bandjes zélf te maken kon hebben. Heit gebruikte ze wel in de jaren zeventig. Maar in de jaren tachtig werd Basf in huize Louwsma in de ban gedaan. De cassettebandjes waren steevast TDK D-60, 90-ers werden door de dunne band niet vertrouwd. Ik heb later ondervonden dat de D-90 ook best goed waren en veel geschikter om een cd of een elpee op te nemen. Met platen op Basf was het al net zo, maar gelukkig was er weinig reden om een Basf-plaat in huis te halen. Ik ben nooit een grote schlager-liefhebber geweest en heb Cindy & Bert en Freddy Breck zoveel mogelijk buiten de deur weten te houden. Getuige mijn singlesbakken ben ik een aantal malen onoplettend geweest... En dan soul van eigen bodem? Ja, ik kan me erg goed voorstellen dat menigeen heeft gegniffeld toen ze het hoesje van Tony Sherman zagen. Toch vond ik het een paar jaar geleden nodig om een paar grote hits van Tony Sherman mee te nemen uit de plaatselijke kringloopwinkel. Nadat ik de plaatjes aanvankelijk had doodgezwegen, ben ik ze vanaf vorig jaar Pasen gaan draaien. En, lieve mensen, die zijn allesbehalve slecht! Ik presenteer jullie vandaag vol trots 'Sing With Me' van Tony Sherman (1975).

Ik ken Karel van nldiscografie via verschillende fora en ik heb hem leren kennen als een man met een enorme feitenkennis en met de grootst mogelijke precisie. In de biografie van Tony Sherman noemt hij eenmaal de naam Shearman en kan me van Karel niet voorstellen dat dit een typfout is. Maar dan nog, ik kom de naam Shearman nergens anders tegen, ook niet in de biografie van broer Kenneth Sherman, dus dat blijft gissen. De familie Sherman komt van Curaçao. Tony begint zijn loopbaan bij de groep The Young Lovers en staat even later in de befaamde Apollo in New York bij een jeugdfestival. Hij bereikt de tweede plaats. In 1970 verhuist het gezin naar Amsterdam en voegt Tony zich bij de groep Reality. Deze band opereert vanuit Nederland, maar heeft verschillende nationaliteiten in haar bezetting. Met hen maakt Tony een single voor Pink Elephant welke flopt en in 1978 een herkansing krijgt. Reality blijft Tony Sherman begeleiden, alleen gaat deze onder zijn eigen naam optreden. Hij krijgt een contract bij Basf en in 1974 klimt 'Tonight' op de hitparade. Het worden geen top tien-hits. Het is de periode dat Stevie Wonder op zijn creatieve hoogtepunt is met langspeelplaten als 'Innervisions' en 'Songs In The Key Of Life' en Tony is gezegend met eenzelfde uitgebreid vocaal register als Wonder. Daar speelt hij handig op in. In 1977 neemt hij zelfs een cover op van 'As', dat zeker niet onder doet voor Stevie's versie.

Met zijn broers formeert hij eveneens The Sherman Brothers, maar dat brengt aanvankelijk geen succes. Pas in de jaren tachtig zullen de broers een paar hits van formaat scoren. Nadat 'As' een grote hit is geworden, is het even stil rond Tony die in die tijd tweemaal vader wordt. Een zoon en een dochter die de muziek en de voorliefde voor funk en soul met de paplepel krijgen toegediend. Inmiddels is Dorothy 35 en Andy 32 en zitten beide al geruime tijd in de muziek. Met Shermanology maken ze moderne dansmuziek met opvallend goede vocalen. De geluidsfragmentjes die ik tot dusver hebben gehoord, smaken beslist naar meer. In de vroege jaren tachtig laten de Shermans weer van zich horen. Kenneth Sherman heeft zijn zaakjes beter voor elkaar dan Mike Anthony. Beide nemen in 1982 een cover op van Timmy Thomas' 'Why Can't We Live Together', alleen is Anthony een copyright-kwestie vergeten en wordt die plaat tijdelijk uit de handel gehaald. Sherman heeft daarvan geen last, maar bereikt evenmin de Top 40. Tony mag in 1982 zijn held Stevie Wonder naar de kroon steken in 'Stars On Stevie', een Stars On 45-project van Jaap Eggermont. Kort daarop gaat hij een samenwerking aan met Julya Lo'ko, zangeres van de Nederlandse funkgroep Cheyenne.

De gebroeders hebben nog een paar hits in de midden jaren tachtig en daarna is de hitparade te hoog gegrepen voor hen. Tony pendelt daarna op en neer tussen Curaçao en Nederland. Hoewel het gezin zich aanvankelijk in Amsterdam had gevestigd, woonde Sherman later in Helmond.

Zoals ik al aangaf in de inleiding, bestaan er nogal vooroordelen over de plaatjes van Tony Sherman. Natuurlijk is het allemaal net een tikje té glad, klinkt het net net ietsje teveel Stevie Wonder, maar zeker in die laatste categorie zijn er wel heel wat minder geslaagde voorbeelden te bedenken. Ik ben van mening dat Tony Sherman wel een beetje eerherstel heeft verdiend! Laat Soul-xotica dan bij deze een voorloper zijn...

zondag 5 mei 2013

Schijf van 5: vrijheid



Wat is vrijheid? Dat is, geloof ik, al tientallen jaren het thema op Bevrijdingsfestivals. Er was ooit ook nog wel eens een tijd dat ik op 5 mei naar Leeuwarden of Zwolle ging, maar dat is alweer lang geleden. De laatste keer was in 2009 met een zwaar tegenvallend optreden van The Wombats, maar met een zeer overtuigend concert van het Zweedse Katzenjammer. Vandaag heb ik, lieve mensen, he-le-maal niets gedaan. Ook dat is vrijheid? Het had mooi fietsweer kunnen zijn, maar ik kon maar niet uit mijn stoel komen. Ik heb het er dus van genomen en heb zodoende vanmiddag een aantal documentaires bekeken en koffie gedronken. Buiten een wandelingetje op en neer naar de snackbar heb ik mijn neus niet laten zien. Zonde? Ach, ik verblijf reeds een week in een half-zieke toestand. Het lijkt op de naweeën van een griepje vermengd met hooikoorts. Vies (en onverwacht...) proesten, maar ook huiverig op de armen. Ik ben er nog geen dag om thuis gebleven van het werk en dus heb ik dit weekend gebruikt om binnenshuis aan te sterken. En datzelfde huis klaar maken voor de aanleg van de studio...

Twee jaar geleden deed ik de Schijf van 5 op 22 mei. Dat had toen, schat ik zo, met moederdag te maken. De volgende dag vierde Bob Dylan zijn zeventigste verjaardag en was daardoor veelvuldig in de publiciteit. Ik gunde hem, alleen daarom, toen een bescheiden plekje in de Schijf van 5. Hij stond toen op vijf met 'Chimes Of Freedom'. De artiest die we dit jaar op vijf vinden, is van eenzelfde soort kaliber. Dezelfde leeftijd als Dylan en onderdeel van dezelfde generatie singer-songwriters. Met dien verschil dat Richie Havens pas is overleden en hij daarom niet aan mijn aandacht ontglipte. Hij staat op vijf met zijn beroemde 'performance' op Woodstock. Daarin neemt hij de traditional 'Motherless Child' dusdanig onder handen dat het uitmondt in een 'Freedom'.

Steve Winwood mocht twee jaar geleden ook al mee doen, maar toen nog met zijn groep Traffic. 'Freedom Rider' van het album 'John Barleycorn Must Die' stond toen op twee in de Schijf. Winwood is een klasse apart en dus mag hij moeiteloos opnieuw in de Schijf van 5, maar nu met een liedje uit de late jaren tachtig: 'Freedom Overspill'. Ik las gisteren nog dat The Allman Brothers Band, tot zover die nog niet is uitgestorven, deze zomer weer op een Amerikaanse tournee gaat. Een aantal van de optredens zal worden opgeluisterd door een gastrol van Steve Winwood. Als het in de buurt zou zijn, zou ik het wel weten. Dat kan wel eens een zeer eigenzinnige fusie worden. 'Feedom Overspill' staat zo gezegd op vier.

Waar Richie Havens door zijn mineur-gestemde gitaar en klagerige zang nogal aanstellerig overkomt, daar kies ik voor de nummer drie voor een veel te vrolijk nummer van Tim Hardin. Een man met een leven zoals in de beste blues. Kommer en kwel, plotseling succes wat hij niet aan kon, een ogenschijnlijk gelukkige tijd met vrouw en kind en dan compleet aan het einde van zijn Latijn in de goot sterven. Als iemand recht zou hebben om een klagerige toon aan te slaan, dan is dat Tim Hardin. Maar nee, deze zong in 1970 'A Simple Song Of Freedom' en dat klinkt niet alleen eenvoudig, maar ook veel te vrolijk voor de man zijn doen. Het is geen hoogvlieger dat deze een derde plek verdient in deze Schijf, maar ik blijf altijd een zwak houden voor Tim Hardin.

Vrijheid is vooral veel bezongen door de hippies. Toch heb ik geprobeerd om deze Schijf iets diverser te maken. Een groep die ook alles van vrijheid weet, is Ween. Hoe ze het steeds voor elkaar kregen, mag Joost weten. Terwijl de band lucratieve platencontracten had, presteerde het om van hot naar her te gaan binnen één plaat. En zit er ook weinig logica in hun totale discografie. In 1994 lijkt het er zelfs even op alsof de groep een echte hit gaat scoren. Het is lastig te duiden of 'Freedom Of '76' nu een klein eerbetoon is aan Prince of dat Zijn Koninklijke Paarsheid op de hak wordt genomen. In beide gevallen is het een uitschieter en mag het verdiend op twee in deze Schijf.

Ik hou van 'underdogs', dat mocht na drie jaar Soul-xotica inmiddels duidelijk zijn? Wat te denken van 'Hallelujah Freedom' van Junior Campbell? Campbell is één van de leden van The Marmalade, de Schotse popgroep die van de platenmaatschappij gelikt werk moet opnemen, maar op b-kanten en elpees een ander geluid laat horen. 'I See The Rain', alleen in Nederland een hit, was niet voor niets één van Jimi Hendrix' favoriete platen van die tijd. Na 1971 doet The Marmalade het even rustig aan en Campbell maakt daar gebruik van door met een paar solo-platen te komen. 'Hallelujah Freedom' is een eigenzinnig nummer, het is méér 'classic rock' dan dat het nummer als waardering heeft gekregen. Daarom zet ik Junior Campbell vandaag op 1 met 'Hallelujah Freedom'.

Volgende week is het moederdag, maar dat was twee jaar geleden al het thema voor een schijf. We hebben vader eveneens gehad, evenals broer en zus. Zullen we het volgende week eens over tantes hebben? Vijf titels met tante. Zijn ze er mooier dan 'Aunt Dinah Has Blown The Horn'?

zaterdag 4 mei 2013

Raddraaien: Episode Six



Raddraaien uit de Blauwe Bak heeft een handicap. In sommige gevallen heb ik de artiest of de plaat al ruimschoots behandeld óf is er juist helemaal niets over te vinden. Neem nou deze aflevering. De eerste single die in aanmerking komt is 'If He Were Mine' van Paula Durante. Veel succes! De oorspronkelijke verschijningsdatum is al nauwelijks te traceren, laat staan biografische details. Volgende! Ecstasy, Passion & Pain. Die naam is vorig jaar heel vaak gevallen omdat de enige vaste kracht Barbara Roy is. Barbara Roy heet eigenlijk Barbara Gaskins en heeft in de jaren zestig een aantal singles opgenomen met haar nichtje Brenda Gaskins. Juist... Barbara & Brenda! Dat verhaal kunnen jullie dus ook al dromen. En dan? 'Evil Woman' van Electric Light Orchestra? De groep hebben we nog in de vorige serie gehad en bovendien is 'Evil Woman' zo'n plaat die al lang weer had moeten terug sturen naar de jaren zeventig-bak. Ik geef het op, ik blader even verder en zoek de eerste de beste geschikte plaat uit. De keuze is gevallen op een exoot uit de Blauwe Bak: 'Morning Dew' van Episode Six (1967).

Het was afgelopen woensdag drie jaar geleden. Een half jaar ervoor mocht ik bij de Gouden Kikker in Steenwijk even in een bak snuffelen en kwam toen terstond 'Love Is In The Air' van Shocking Blue tegen. Het is 1 mei 2010 als ik door de stad loop en besluit mijn neus om de hoek te steken bij De Gouden Kikker. Tot mijn schrik, maar ook mijn vreugde, blijkt dat de eigenaar alle singles reeds heeft uitgestald. Geen vaste prijzen. Ik doe er flink boodschappen en kom op ruim zeventig singles, waaronder veel bijzonder spul. Ik mag ze voor een euro per stuk hebben! Buiten de zeer zeldzame Nederbeat-dingen zit er op zijn minst één single bij die zijn gewicht in goud waard is: 'Morning Dew' van Episode Six in de Nederlandse fotohoes.

Northern Soul is een beweging, géén muziekstijl. Sterker nog: Er is maar moeilijk een vinger te leggen op wat Northern Soul mag heten en wat niet. Als je de klassiekers ontdoet van het Northern Soul-imago en je bekijkt waar ze vandaan komen. Er zit folkrock tussen, maar ook garagerock en in enkele gevallen pure bubblegum. Episode Six wordt nergens ter wereld als Northern Soul bestempeld, alleen bij mij. Het jagende tempo past prima tussen de overige Northern Soul-platen, maar ook vanwege de zeldzaamheid mag deze in de Blauwe Bak staan.

Welnu, lieve mensen. Waar zal ik eens beginnen? Episode Six wisselde in de zes jaar van haar bestaan vaker van personeel dan van ondergoed. Misschien dat dit een beetje overdreven is, maar om het half jaar was er wel een bezettingswisseling. De groep ontstaat in 1964 als twee bestaande groepen met elkaar samengaan. Roger Glover is als bassist meteen al present, de mannelijke leadzang wordt eerst nog verzorgd door Andy Ross. De groep wordt eerst maar eens naar Duitsland gestuurd, waar ze een residentie krijgen in de Arcadia Club in Frankfurt: Iedere avond acht uren non-stop spelen met een kwartiertje per uur pauze. Bij terugkomst haakt Ross af en wordt vervangen door Ian Gillan. De groep krijgt een beter management, maar voelt desondanks dat ze worden genegeerd. In 1966 krijgen ze, op eigen initiatief, een contract bij Pye. 'Put Yourself In My Place' is de eerste van negen singles die geen van allen iets doen in Engeland. De groep wordt desondanks gesteund door Radio London en door een vreemdsoortig lot wordt 'Morning Dew' reeds in 1966 een grote hit in Beiroet. Uit lieverlee gaan ze daar eind 1966 maar een tijdje spelen, want in Engeland mist toch niemand hen.

'Morning Dew' staat in Nederland twee weken in de Tipparade genoteerd, dan nog louter het speeltje van Rob Out. De bezettingswisselingen blijven komen en ze wisselen ook tweemaal van platenmaatschappij. Met het wegvallen van de Britse zeezenders en met name Radio London, slaagt de groep er helemaal niet meer in om een hit te scoren. Ze doen een optreden bij de bBC dat resulteert in kwade telefoontjes en brieven, de groep beantwoordt het met de single 'Mozart Vs. The Rest'. Verder is Episode Six simpelweg de hardst werkende groep van Engeland. Ze hebben zelden een vrije dag, zo vaak moet de groep ergens spelen.

In 1969 is de rek er goed uit. Ritchie Blackmore en Jon Lord bezoeken een optreden van Episode Six en kapen Ian Gillan weg voor hun band Deep Purple. Roger Glover helpt aanvankelijk een beetje mee totdat die ook zijn plekje in Deep Purple krijgt. Ze maken de contractuele optredens met Episode Six nog af, maarr pakken dan ook meteen hun biezen. Toetseniste Sheila Carter-Dimmock gaat nog even door met de groep, al gauw met haar eigen naam als toevoeging. Carter-Dimmock heeft in 1966 ook al een solo-single gemaakt voor Pye.

vrijdag 3 mei 2013

Raddraaien: Elkie Brooks



Veel wat ik tot nu toe bij het eind heb gehad, is in het afgelopen jaar overgeschakeld in het Engels. Ik schrijf nauwelijks nog Nederlandse berichten op Facebook, maar de helft van mijn virtuele vrienden komen dan ook uit Engels-sprekende landen. Ik begon bijna een jaar geleden met podcasts, daar sta ik over twee weken nog even bij stil. Aanvankelijk in het Nederlands en toen, in augustus, een 'eenmalig Engels uitstapje', dat uiteindelijk na twee weken een vervolg kreeg. En alle gevolgen van dien. Mijn Engelse vrienden weten wel van Soul-xotica af, maar hiermee weiger ik over te schakelen naar het Engels. Soul-xotica is en blijft Nederlands! Toch schetste het mijn verbazing dat ik een paar maanden geleden plots een Engels antwoord kreeg op een aflevering van Raddraaien. Ik heb toen voor de lol dat bericht door Google Translate laten vertalen. Nee, dat werd ik niks wijzer uit! De vraag was toen of Elki van Elki & Owen & Rimram Band nu werkelijk Elkie Brooks was geweest of niet. En raadt eens wie wij vandaag te gast hebben in Raddraaien? Juist! Elkie Brooks met haar grootste hit: 'Pearl's A Singer' (1977).

Ik had ergens de verwijzing naar Elkie Brooks gelezen, maar sprak ook meteen mijn twijfel uit. Degene die reageerde wees me op een aantal bronnen die Elkie Brooks bevestigen. Lang leve de sociale media. Elkie Brooks heeft haar eigen pagina op Facebook en ik drop daar de vraag. Binnen een dag heb ik antwoord van Elkie zélf. Ja, zij heeft de partij van 'Groovie Kinda Love' ingezongen, maar toen gaf de platenmaatschappij opeens de voorkeur aan een donker meisje dat als Elki op de fotohoes kwam en het nummer bij promotie-optredens stond te mimieken. Elkie Brooks op een reggae-plaat, dat geeft wel aan dat we hier met een muzikale duizendpoot hebben te maken. En ze is nog steeds actief! Ik heb voor de aardigheid haar Facebook-pagina uitgeplozen, maar het kon me niet overtuigen om het te 'liken'. Ik ben wat dat betreft een beetje verwend geraakt met de pagina van P.P. Arnold.

Elaine Bookbinder. Als je dat roept, kijkt Elkie Brooks waarschijnlijk meteen over haar schouder. Het is de naam waarmee ze getooid werd op 25 februari 1945. Bookbinder blijkt echter niet de geschikte naam te zijn om een podium te beklimmen, zo kiest haar oudere broer Anthony voor de naam Tony Mansfield. Hij is de drummer van The Dakotas, de begeleidingsgroep van Billy J. Kramer. Leuk om nog tussendoor te vertellen dat John Lennon de naam van Billy J. Kramer heeft bedacht. Toen de artiest zélf vroeg waar de 'J' voor stond, antwoordde John met 'Julian'. ,,Oh nee", riep Kramer uit. ,,Dat is een naam voor een mietje". John zweeg. De buitenwacht wist niet en mocht ook niet weten dat John inmiddels een zoon had. En die zoon heette... Julian. Terug naar Elkie Brooks. Als dertienjarige maakt ze haar podiumdebuut in Manchester om twee jaar later professioneel zangeres te worden. In 1964 verschijnt haar eerste plaatje met een cover van Etta James, 'Something's Got A Hold On Me', op Decca. Dat plaatje is inmiddels een duur betaald collector's item. De rest van de jaren zestig is een periode waaraan Brooks niet graag terug denkt. Ze slaagt er nauwelijks in om door te breken en blijft in het Engelse 'cabaret'-circuit hangen, maar helpt ook The Small Faces aan optredens en vergezelt The Animals tijdens een tournee in Amerika. Ze ontmoet Pete Gage, waarmee ze in het huwelijksbootje zal stappen en maakt met Gage korte tijd deel uit van Dada. Samen met Gage en de getalenteerde Robert Palmer formeert ze uiteindelijk Vinegar Joe. Intussen doet ze dus nog wat sessiewerk, waaronder dus 'Groovie Kinda Love' van Elki & Owen & The Rimram Band.

Vinegar Joe gaat na drie albums en lovende kritieken in 1974 uit elkaar, waarna Brooks en Palmer op de solo-toer gaan. Hoewel, Brooks gaat nog even naar Amerika om achtergrondzang te doen voor de 'southern boogie'-band Wet Willie, maar is al snel weer terug in Engeland. 'Rich Man's Woman' heet het solo-debuut van Elkie Brooks en stamt uit 1975. In de daaropvolgende 35 jaar zullen er nog negentien studio-albums volgen en twee live-albums. 'Rich Man's Woman' heeft nogal te lijden onder het hoesontwerp en zal daardoor geen hoge ogen gooien. Dat verandert in 1977 als ze 'Two Days Away' uit brengt. Het album is grotendeels geschreven en geproduceerd door het legendarische duo Mike Leiber en Jerry Stoller. Twee mannen met een indrukwekkende staat van dienst, die niet alleen met Elvis Presley hebben gewerkt, maar ook tientallen bekende liedjes hebben geschreven. 'Pearl's A Singer' is de grote hit van het album, een eerbetoon aan zangeres Janis Joplin. De geraadpleegde Wikipedia-pagina is duidelijk geschreven door Engelsen. Het rept na 'Two Days Away' over meer, méér en meest, maar dat ligt in Nederland een beetje anders. Hier is het aan het begin van de jaren tachtig wel een beetje een bekeken zaak voor Brooks. De hitparade is niet meer voor haar weg gelegd en de albums verkopen ook maar mondjesmaat.

Toch heeft Engeland alle recht van spreken, want de cijfers liegen er niet om. Neem Brook's tournee van 1982, toen zagen maar liefst 140.000 mensen haar optreden in krap drie maanden. 'No More The Fool' is in 1986 de enige single die in Engeland de top vijf bereikt. En, zoals haar Facebook-pagina me al wist te vertellen, treedt Brooks nog altijd op en met veel succes in Engeland. Saillant detail is dat Brooks tot tweemaal toe een grote hit heeft weggewuifd. In 1977 kreeg ze 'Don't Cry For Me Argentina' aangeboden, maar daar heeft ze voor bedankt. Julie Covington heeft daar geen spijt van gehad! Een paar jaar later krijgt ze 'The Flame' onder ogen, maar ook daar ziet ze geen brood in. Dat nummer wordt een grote hit voor Cheap Trick. Toch is het vooral 'Pearl's A Singer' dat haar 'signature tune' wordt, ze gebruikt het woordje 'Pearl' om de haverklap voor albumtitels. Maar toch... als je haar laatste album uit 2010 bekijkt en je ziet daarop de Bob Dylan-cover 'Make You Feel My Love' staan, denken jullie dan ook niet...?

donderdag 2 mei 2013

Raddraaien: Booker Newberry III



Week Spot, Raddraaien en Schijf van 5. Dat zijn momenteel de bestandsdelen van Soul-xotica. Ik ga vast nog wel eens het recenzeuren oppakken, maar de meest bijzondere concertherinneringen heb ik voorlopig wel even gehad. En het Raddraaien is bovenal zo leuk om te doen. Kijk maar naar het verhaal van Ohio Express van gisteren. Vandaag hebben we een single uit de jaren tachtig te gast. Dat is niet zo lang geleden in vergelijking tot Ohio Express uit 1968, maar of dat meer informatie voor een verhaal oplevert? Helaas, in dit geval niet bepaald. Maar ook daarin is het Raddraaien een uitdaging. We gaan niet van een mug een olifant maken, maar ik ga wel een bericht van normale lengte schrijven over een eendagsvlieg. Een plaatje dat iedereen, die de jaren tachtig heeft mee gemaakt, kan mee fluiten. Een voorbeeld van een plaat die niet te klagen heeft gehad over 'airplay', maar die het desondanks nét niet heeft gehaald. De Raddraaier van vandaag heet 'Love Town' van Booker Newberry III (1983).

Ik ken de titel voornamelijk uit het Hitdossier, de bijbel die ik tot zover uit mijn hoofd heb geleerd dat mijn schoolcarriére eraan kapot is gegaan. Maar heel soms, zoals afgelopen vrijdag in de Muziekkwis in café De Karre, heb ik toch nog even baat bij dit 'stampwerk'. Noem vijf artiesten en groepen die minimaal drie nummer 1-hits hebben gehad. En... natuurlijk met de titels erbij! Dat was dus een honderd procent score... In 1995 ben ik goed en wel begonnen met het kopen van cd-singles. Omdat ik dan al deejay wil worden, koop ik buitensporig veel Top 40-hits. Niet dat ik ze zélf zo goed vind, niet bepaald, maar ik wil me profileren als een 'hippe' dj en dus koop ik alle meuk die dan in de hitlijst staat. Van 'Sjeng Aon De Geng' via The Connells naar 'Roots Bloody Roots' van Sepultura, om mijn veelzijdigheid aan te geven. En dan zijn er nog die afschuwelijke uitverkoopbakken, waar ik nimmer nooit aan voorbij kan lopen. In sommige gevallen heb ik er hele leuke dingen eruit gehaald, maar soms ook wilde gokken die niet altijd even goed uitvallen. Ik ben op deze donderdagmiddag bij de Sneker Free Record Shop en die is aan het stunten met cd-singles, waarvan je kan afvragen hoe de inkoper het in zijn hoofd heeft gehaald om deze op de bestellijst aan te vinken. Daartussen bevindt zich ook 'Love Town' van Booker Newberry III. Waarschijnlijk uitgebracht omdat het in een reclame heeft gezeten? Ik waag er de één-gulden-vijftig aan, maar nogmaals: de plaat brengt geen herinnering teweeg. Dat verandert als ik hem thuis in de cd-speler stop. Toch is er niet sprake van een directe liefde, ik heb de cd daarna nooit weer aangeraakt. Overigens heb ik deze middag 'When I Come Around' van Green Day gekocht, alleen maar omdat je bij de cd-single tijdelijk de picture disc-single kreeg...

In 2000 kom ik in Tuk wonen. Ik wil niet als een oude man klinken, maar ik heb Steenwijk in de afgelopen dertien jaar wel zien veranderen. In het begin waren er nog oude huisjes op het Steenwijkerdiep, waar nu de Aldi een winkel heeft. In één van die panden zit een winkeltje in tweedehands spul, waaronder ook 'new old stock'-platen. Ik heb 'Here's A Heart', het album van Golden Earrings-zanger Frans Krassenburg, daar gekocht. Sinds tien jaar onvindbaar. Helaas, want die had ik maar wat te graag voor een leuke prijs willen verkopen. Op mijn 'Fiends And Angels Again' van Martha Velez had ik wel wat zuiniger mogen zijn, maar ook 'Movements' van Johnny Harris tover ik aldaar uit de bananendozen. De singles zijn 'best leuk', niet héél bijzonder spul uit de jaren zestig en verder vooral 'new old stock' uit de jaren tachtig. En jawel... ik steek voor een tweede maal in mijn prille leven een gulden in Booker Newberry III. Evenals de cd-single zal ik ook deze niet grijs draaien, maar daar moest onderhand maar eens verandering in komen. 'Love Town' mag immers best als 'Modern Soul' en verdient derhalve zijn plekje in 'Do The 45'.

Newberry aanvaardt deze incarnatie op 19 januari 1956 in Youngstown, Ohio. Wikipedia telt maar liefst 288 'beroemde' mensen uit die plaats, maar ik ken er maar enkele van. Newberry begint zijn loopbaan in 1971 bij de groep Mystic Nights. Na een paar jaar te hebben aangemodderd, pakt Newberry zijn biezen en probeert het in Philadelphia. Hij wordt daar aangenomen als leadzanger voor Sweet Thunder, een soulgroep die spoedig een contract krijgt bij Fantasy. Sweet Thunder heeft een paar hits en maakt totaal drie albums. Na een korte periode bij de discogroep Impact te hebben gezongen, gaat hij in 1983 solo. 'Love Town' wordt aanvankelijk uitgebracht op Boardwalk, de eerste maatschappij die brood zag in 'I Love Rock And Roll' van Joan Jett, maar die kunnen voor Newberry weinig betekenen. Pas als de distributie is overgenomen door Casablanca komt het langverwachte hitsucces. Newberry neemt na die tijd nog platen op voor Malaco Records, maar de Wikipedia-schrijver vindt ze niet belangwekkend genoeg om ze bij de titel te noemen. De Wikipedia-pagina ontbeert evenmin een externe link naar een Myspace of een andere pagina die op enige activiteit van Newberry zou wijzen. Ik vrees het ergste... Wat is er van Booker Newberry III geworden?

Zoals gezegd moest ik 'Love Town' onderhand ietsje meer gaan waarderen. Het is op zichzelf geen slechte post-disco-poging, maar het herinnert mij toch wat al te veel aan grijze Avro-maandagen. Ik heb Robin Albers altijd een gepassioneerde presentator gevonden, maar 'begreep' zijn passie nooit echt goed. Zo brengt de uitdaging van het Raddraaien een nieuwe uitdaging met zich mee: Ik ga de komende tijd wat vaker 'Love Town' op zetten en wie weet, zit-ie over een half jaar in de reserve-Blauwe Bak. Dat is sowieso een 'zootje', dus één meer of minder zal geen pijn doen...

woensdag 1 mei 2013

Raddraaien: Ohio Express



Chris Montez. Dát was dus de schuldige! Hij had mijn Raddraaien danig in de war geschopt! 'Let's Dance' woont een beetje losvast in mijn Blauwe Bak en in de tweede serie van Raddraaien was ik dat even vergeten. De fout is hersteld en we kunnen weer verder. Hoewel? De eerste de beste kandidaat uit de 'normale' jaren zestig-bak is van The Mercey Brothers. Dat is Canadese country. Om maar weer eens aan te tonen hoe moeilijk ik het vind om een plaat het raam uit te gooien. Bij het huiswerk blijkt die, gelukkig, uit 1971 te komen en hoort dus niet thuis in de jaren zestig-bak. We hebben het weer gered! Maar dan... Ohio Express? Volgens mij een anoniem studiogroepje, dus dat zal wel een verhaal over Buddah Records en de bubblegum-beweging worden. Niets is minder waar, er schuilt een prachtig verhaal in 'Yummy Yummy Yummy' van Ohio Express!

Wikipedia wil dat het verhaal gecorrigeerd en aangevuld wordt, zodat het opweegt tegen hun kwaliteitsstandaard. Ik vind het eerder verrassend dat er nog zoveel over de groep te vertellen is. Completer dan dit gaat het nooit meer worden! Het verhaal begint in 1966 bij een groep genaamd Rare Breed dat een single uit brengt op Attack Records: 'Beg Borrow And Steal'. De plaat flopt genadeloos. De opvolger heet 'Come And Take A Ride My Boat'. Deze flopt eveneens, maar zal in 1967 een grote hit worden voor Every Mother's Son. De titel is dan aangepast tot 'Come On Down To My Boat'. Beide plaatjes van Rare Breed zijn Super K-producties. Jerry Kasenetz en Jeffrey Katz zijn de drijvende krachten achter Super K. Wij zijn ze hier op Soul-xotica vast al eens tegen gekomen, Super-K probeerde in 1966-67 in enkele gevallen de 'Wall Of Sound' van Phil Spector te evenaren en dit is hoorbaar op 'S.O.S. Heart In Distress' van Christine Cooper, een Blauwe Bak-favoriet. Rare Breed is een groep uit Brooklyn, waarvan de eerste biografische details pas in het Youtube-tijdperk komen.

In augustus 1967 wordt een opnieuw gemixte versie van 'Beg Borrow And Steal' uitgebracht onder de noemer Ohio Express. In het heetst van de strijd verlaat Rare Breed het toneel, net terwijl de single een kleine opmars maakt in de hitparade. Kasenetz en Katz benaderen dan een live-groep om het hitje te promoten. Sir Timothy and The Royals heet de groep oorspronkelijk en leadgitarist Dale Powers is eveneens te horen op 'Try It', de tweede single van Ohio Express. De rest van de band doet niet mee op platen, hun plek wordt ingenomen door studiomuzikanten. De begeleidende elpee 'Beg Borrow And Steal' is geen groot succes, mede doordat Cameo Parkway het loodje legt. Een 'credit' in de composities voor ene Walsh en een vage foto waarop hij zou zijn te herkennen, leiden tot speculaties dat Joe Walsh één van de muzikanten op de elpee was.

Super K verhuist met haar gehele stal naar het fris nieuwe Buddah-label, het moederschip van de bubblegum. Zo komt Joey Levine ook in beeld, hij is gedurende 1968 en 1969 de zanger op de platen van Ohio Express, het zijn nog immer studiomuzikanten die de platen vol spelen. Maar... we moeten ook Sir Timothy And The Royals niet vergeten, de groep die als Ohio Express de hits op de bühne brengt. Het is maar een geluk dat ik eraan denk, want bij Super K zijn ze in begin 1969 dat live-groepje wel even vergeten. 'Chewy Chewy' is dan bezig een grote hit te worden, maar Sir Timothy en zijn kornuiten zijn niet ingelicht over de nieuwe plaat. En dus moeten deze 'nee' verkopen als fans om dat nummer vragen. Het verhaal is zeer onduidelijk. Wie zijn nou die gasten die op de hoezen van Ohio Express zijn te bewonderen? En welke 'muzikanten' stonden in de zomer van 1969 bij de Avro in de studio 'Pinch Me' te mimieken? Duidelijk is wel dat Levine de royalty-cheques aan de lage kant vindt en na 'Pinch Me' de benen neemt. Hij treedt nog altijd op, maar wil 'Yummy Yummy Yummy' vast niet meer zingen...

In 1969 en 1970 verschijnen er nog enkele singles, waarvan er eentje is ingespeeld door vier Engelse heren die we later zullen kennen als 10CC. Ohio Express is dan al lang niet meer een 'groep', alsof dat het ooit is geweest, maar een productie-naam van Kasenetz en Katz. Ze zullen na 1970 de naam nog enkele malen nieuw leven inblazen, hoewel er sinds een paar jaar een zelfstandig opererende 'unit' is met die naam. Deze groep zit, niet verrassend, in het oldies-circuit. Om nog maar eens te laten zien waar Ohio Express oorspronkelijk voor stond, heeft deze formatie vorig jaar maar liefst tien singles uitgebracht!