woensdag 21 juli 2010

lik me Reed!


Wat had Lou Reed gemoeten zonder Benny. Iemand die zijn opgespaarde centjes bij de platenboer achterliet. Hij wist al dat dit 'wat anders dan normaal' was. En hoewel hij hem niet grijs draaide, bracht hij hem ook niet linea recta terug. Sterker nog: Toen de plaat in 1982 opnieuw werd geperst, kocht hij hem weer! Benny was een unieke fan voor Lou Reed. 'Metal Machine Music' was commercieel én artistiek een geslaagde zelfmoord zonder zelf het graf in te gaan.

'Metal Machine Music' was een manier van Lou om van zijn manager af te komen. Die man wilde ondermeer het drugsgebruik van Reed etaleren, wat uitmondde op de demonstratie 'spuiten' op het podium. Maar ook dat Lou make-up ging dragen, extravagante haarstijlen ontwikkelde en zich inschikte bij Bowie, Bolan en de glamrock.

Maar Reed wilde terug naar de essentie, de kop-staart-liedjes zonder opsmuk die hij schreef als lid van Velvet Underground. 'Metal Machine Music' moest dat bewerkstelligen, maar het werd voor iedereen een teleurstelling. In de eerste plaats voor zijn fans. Maar ook voor de president van RCA, waarmee Reed zeer goed bevriend was. Deze haalde zijn hand over het hart en liet Lou een jaar 'Coney Island Baby' opnemen, een puur popliedjesalbum zonder gimmicks.

'Metal Machine Music' bevat vier plaatkanten van elk zestien minuten en vier seconden precies. Verder een 'loop' van plusminus vier minuten met een minimaal verloop in mixage. Het wordt nu als de voorloper van de electronische noise beschouwd, maar in 1975 was het niet te filmen!

Een paar jaar geleden kwam het album ter sprake en kreeg ik de 1982-heruitgave van Benny. Ik heb hem prompt de dag erna het hele album integraal gedraaid. Je wordt horensdol! En in dat ruime uur verandert er dus helemaal niets. Ik ga neurotisch klinken als ik zeg dat kant 3 de beste is. Ik weet zelf de reden ook niet meer...

dinsdag 20 juli 2010

kofferstory


Wat is Soul-X zonder zijn singleskoffer? Die twee zijn al tien jaar onafscheidelijk. Of we nu in een Steenwijker horeca-etablissement moeten draaien of in Zwolle of in Hellevoetsluis, de koffer gaat overal mee naar toe. Hij is vast wel enig reizen gewend, want ik heb een vermoeden dat het ruim vijftig jaar in een ver oord is verkocht...

In april 2000 kwam het in De Bilt binnen. Ik was meteen verliefd. De inhoud was nogal vreemd op zijn zachtst gezegd. Het bevatte enkele EP's uit de late jaren vijftig, waar ik alleen Jules De Corte van heb gehouden. Er zaten twee EP's met geluidseffecten bij voor de thuisfilmer en een drietal singles met Nederlandse nieuwsberichten uit Indonesië. Die heb ik achtergelaten bij een liefhebber.

En dan was er nog de EP van Yma Sumac. Verpakt in een box, heeft die in Tuk nog een tijd te pronk gestaan. Totdat de verhuizing kwam. Wat me nog het meeste spijt is dat ik hem nooit heb beluisterd. Naar het schijnt is Yma een vreemde eend in de bijt.

De koffer is altijd gebleven. Vanaf mijn tijdelijke residentie in De Singel in Zwolle werd de koffer versierd met stickers van Soulclap en De Singel. Niet zichtbaar op de foto zijn stickers van de bands The Shavers, Fed By Trash (uiteraard vanwege de bandnaam) en Malachi. Ik heb er nog aan zitten denken ook nog 'Linkse Hobby' er op te plakken...

Kan niet stuk. Jawel hoor! Het hengsel ging als eerste. Met een tang weer hersteld, maar wil nu niet meer 'plat' liggen. Het zij zo... Nu het slotje. Dat hoort met twee schroefjes vast te zitten. Eentje is al pleite. De tweede ligt er ook wekelijks uit. Ik ben dermate laks dat ik het vermoeden heb dat die in 2016 in ere is hersteld. Is de koffer bijna zestig, maar zijn pensioen met 67 jaar kan hij rustig vergeten...

maandag 19 juli 2010

moet je HUN horen


Inmiddels is alles bijgelegd, maar in 1997 was het geregeld hommeles tussen mij en John. Ik kende hem van de muziekoefenruimte waar ik toen assistent-beheerder was. John had op vrijdag zijn baravond en belde me doodleuk een half uur van tevoren op dat hij op Oerol zat. Hij kwam vaker afspraken niet na, waardoor ik dan mijn vrije avond kon opofferen.

En dan was er nog Strak & Cool, een kindertheater-act. Ik was Bungel. Die naam verdiende ik omdat ik toen idolaat was van de groep Mr. Bungle. John was Strak, maar ik kan me vergissen. Onze eerste echte voorstelling tijdens Roefeldag had nogal wat voeten in de aarde. We zijn elkaar bij de generale repetitie geregeld in de haren gevlogen!

John droeg een officiële John Lennon-bril, maar had tevens hetzelfde cynisme. En was hij een goed leider, hoewel ook hij niets kon aanrichten in de eenmalige 'supergroep' van Sneker muzikanten waarmee we in één avond tot drie keer toe de kroeg leeg speelden!

John was leergierig qua muziek en kocht de meest waanzinnige cd's waaronder deze van Attila. Toen een paar maanden geleden op het Steenen Forum de singles van The Hassles werden behandeld, diepte ik de herinnering aan Attila al op en vroeg of iemand die herinnering kon oppoetsen. Zo ontving ik 'Wonder Woman' van een gewaardeerd mede-forummer.

Sorry dat ik het zeg, maar ik vind Billy Joel nogal een gladjakker. Ik stop mijn vinger in de keel als ik 'Piano Man' of 'Honesty' hoor. Maar op deze plaat laat Joel horen dat hij Robert Plant naar de kroon kan steken. Verder is 'Wonder Woman' ook een en al Led Zeppelin, zonder dat het echt plagiaat wordt. Smaakt naar meer! De elpee wordt aan het zoeklijstje toegevoegd.

zondag 18 juli 2010

geniaal gekkenhuis


Gek en geniaal liggen zo dicht bij elkaar, dat je soms kwalijk verschil merkt. Denk aan Albert Einstein, maar ook aan Frank Zappa. Iets nieuws proberen, iets dat volledig afwijkt van het bestaande. Van sommige gekken blijkt de genialiteit pas later. Neem nu The Asylum Choir. Die kreeg toen niet bepaald lovende kritieken. Hitweek waarschuwde er zelfs voor, net zoals dat bij Laura Nyro was gebeurd (zie 23 april). En nu komt de waardering mondjesmaat op gang.

Leon Russell had, ondanks zijn drankzucht, blijkbaar meer dan een paar dubbeltjes overgehouden van zijn sessiewerk, want hij liet in 1968 een hypermoderne thuisstudio bouwen. Om zelf de studio zo goed mogelijk te leren kennen, nodigde hij vrienden uit een weekend op zijn ranch te komen en een plaat op te nemen. Zo komen we nog even bij het trauma Daughters Of Albion. Ik kende 'Well-Wired" van hen, een inventief psychedelisch popliedje. Toen kwam ik op Marktplaats hun elpee tegen, 'Near Mint' en de zeldzame Nederlandse stereo-persing.

Na enig geharrewar betaalde ik ruim dertig euro voor de plaat. Eenmaal thuis bleek 'Well-Wired' het enige échte psychedelische nummer te zijn. 'The Story Of Sad' en 'Hey You Wait Stay' zijn ook juwelen, maar de rest, buiten het lollig bedoelde '1968', riekt erg naar The Carpenters. En waar heb ik een uitgesproken hekel aan?

Zanger Marc Benno komt ook een weekend langs en samen met Leon maakt hij een album waarop de 'flower power' op de hak wordt genomen. 'Met de kennis van nu' klinkt Benno als Robbie Williams en de fratsen zouden de laatste ook niet misstaan.

Vereiste voor een 'hippe' groep is enige Indiase invloed. De rust van de meditatie, niet de slagvelden. Maar The Asylum Choir lardeert 'Indian Style' met vuurwapengeluiden. Het verhaal van 'Henry The Flea' is een speeltuin van Russell met bizarre effecten. Of neem 'Death Of The Flowers' net het Beatleske tussenstuk. Er staat praktisch gezien geen enkel slecht nummer, mits de luisteraar gespeend is van enige Zappariaanse humor.

Benno en Russell doen het in 1971 nog even dunnetjes over, maar de laatste ging het erg druk krijgen. Dat begon met het 'Mad Dogs And Englishmen'-circus van Joe Cocker. Van alle 'sidemen' is Russell wellicht de beroemdste. Is het niet een geluk dat hij 'Look Inside The Asylum Choir' toen al had gemaakt? Ik weet het niet. Als je alle gekheid weglaat, blijft nog altijd een geniale plaat over!

zaterdag 17 juli 2010

effe wachten nog


Ik heb momenteel ruzie met Google Afbeeldingen. Hij weigert halstarrig om foto's te laten zien na het invoeren van een zoekopdracht, waardoor de zoektocht moeilijk wordt. Ik was nu dus gewoon op zoek naar de Nederlandse, maar trof deze op Progarchives. Nog nooit gezien! Ik vermoed iets mediterraans. Dus doen we deze! Het is inmiddels een paar maanden sinds 'Nights In White Satin', dus snel weer een Moodies-single in de koffer stoppen.

Het was in december 1969 maar liefst 24 maanden nadat 'Nights In White Satin' de hitparade in ging. Qua singles was er geen succesvolle opvolger gekomen. In Engeland was 'Voices In The Sky' net als zijn voorganger op 19 gestrand. Ja! U leest het goed! In Engeland was 'Nights' in eerste instantie een matig succes en bereikte pas in 1972 de top tien. In Nederland was alleen 'Ride My See-Saw' nog een hit geweest. Wél had de groep drie zeer succesvolle albums gehad.

The Moody Blues had zoveel vrijheid gekregen bij Decca, dat ze in 1969 Threshold begonnen. Naast 'de Rolls-Royce van de platenlabels' hield dit ook een keten van platenwinkels in. 'To Our Children's Children's Children' was het eerste produkt van Threshold. Justin Hayward had te horen gekregen dat hij weer een 'Nights In White Satin' moest schrijven. Toen hij 'Watching And Waiting' met fluitist Ray Thomas had geschreven, wist hij het: Hij had het geflikt! De single verkocht drie-achteruit en hij heeft daarna geen pogingen gedaan.

De opvolger was wél raak. 'Question' werd hier nummer één, maar werd in Engeland van die plek gehouden door 'Back Home'. Niet van onze Earring, maar van het Britse voetbalelftal. Maar The Moody Blues had geen hitsingles nodig. Van de albums werd in Amerika al een miljoen in de voorverkoop verkocht.

Terug naar de single. Een zeer fraaie melodie, mooi orkest en dito tekst. Kippevelmomentje is wanneer in het refrein Ray invalt. Maar natuurlijk ook de mellotron in het intro. Ik krijg altijd kippevel van de mellotron. Geduld is een schone zaak. Deze single spreekt boekdelen!

vrijdag 16 juli 2010

laat die broertjes maar lopen...


De formatie van The Walker Brothers begon met een forse 'hit'. Niet in de baarmoeder zoals de naam suggereert, maar een botsing tussen twee wagens. John en Scott zaten in de ene, Gary in de andere. Na wat gekissebis zagen ze het drumstel op de achterbank bij Gary. En zochten John en Scott niet toevallig een drummer. Om een vreemde reden bleef het trio de naam gebruiken van een groepje broers waarmee John en Scott hadden gespeeld.

Scott is Scott Engel, die onder deze naam zijn debuut maakte in 1957. Niet veel later ontmoet hij John Maus. Samen maken ze een EP en rond 1964 komen die broertjes Walker voorbij. Gary Leeds sluit zich in 1965 aan bij Scott en John en later dat jaar vliegen ze naar Engeland.

Daar beleven ze in 1966-67 een hectische tijd. The Walker Brothers zijn dan dé tieneridolen. Vooral de paranoïde Scott lijdt er erg onder. De meeste singles halen moeiteloos de top tien en de platenmaatschappij spuwt elpees. Na anderhalf jaar is het concept opgebrandt en houden ze tot 1975 een pauze.

Maar Scott blijft mateloos populair met Brel-vertolkingen en een eigen tv-show. De reünie in 1975 duurt twee elpees en de revolutionaire single 'The Electrician'. Dan wacht de obscuriteit, vooral tot grote blijdschap van Scott. Alleen wordt die juist op de hielen gezeten door de media. Eens in de tien jaar maakt hij een album en produceert de Britse band Pulp.

Ik ga in de toekomst zeker eens 'Climate Of Hunter' uit 1984 behandelen, maar is meer iets voor in de winter! Nu zou ik graag een single uit het repertoire van de surrogaat-broers willen pikken. Binnen het vlak van mod en northern soul kan je weinig met de groep beginnen. Zelfs hun 'Land Of 1000 Dances' is té statig voor de dansvloer.

Positieve uitschieter is 'Living Above Your Head', een single uit eind 1966. Okay, het blijft ietwat houterige georkestreerde pop, maar het ritme is hoog genoeg. Zonder dat hun 'sound' verloren gaat, al denk ik dat weinig hardcore-Walker Brothers-fans het nummer zullen memoreren. Maar omdat iedereen de misthoorn van Scott tot zich mag nemen, verdient de single een residentie in de koffer!

donderdag 15 juli 2010

je mod ontspannen...


Goed beschouwd was Nederbeat een vergaarbak van uiteenlopende stijlen. Alles wat luid (in de oren van de oude garde) was, werd automatisch ingedeeld onder Nederbeat. The Sandy Coast verdiende hetzelfde lot, alleen heb ik daar nog steeds moeite mee. Vooral op het compositorische vlak steeg de band met kop en schouders boven de anderen uit. Zij konden ook niet helpen dat hun wieg in Voorburg had gestaan!

De opvolger van 'Please Go' van The Golden Earrings heette 'Lonely Everyday', maar dat is zeker niet de enige taalflater uit de Nederbeat. Wim Bieler van Q'65 leek zijn teksten in het Haags uit te schrijven en dan de boel te vertalen. Hans Vermeulen daarentegen schrijft teksten waar niets op valt aan te merken (of toch?) en een vocabulair had om u tegen te zeggen.

Ik heb ooit van een Haagse mod begrepen dat Robbie Van Leeuwen een belangrijke invloed was op de mods alhier (die generaliserend 'soulkikkers' werden genoemd) en natuurlijk was de muziek van The Motions ondermeer door soul en mod ingegeven. Maar als je het mij vraagt, was Sandy Coast de ultieme mod-band. Ik durf een vergelijking met The Small Faces wel aan.

En er zijn parallellen tussen beide. Ze begonnen beide met veelal covers van Amerikaanse hits, schreven vervolgens zelf, gingen in 1967/68 mee in de psychedelica. Waar The Small Faces in 1969 ophield en de leden verder gingen met stevige rock (The Faces, Humble Pie), daar onderging Sandy Coast (inmiddels zonder The) eenzelfde facelift.

Maar was er toch nog iets aan te merken? Iets grappigs: Op de b-kant van 'Capital Punishment' staat 'My Friend Abdullah'. Hans noemt daarin een plaats waar Abdullah door de kashbah loopt. Maar het is net als de klok van Arnemuiden...

Singlehoesjes.nl had geen andere staan dan deze. Best jammer, want ik vind het hun minste single. Het liefste zou ik hierbij 'I'm Working My Way Back To You Babe' in de koffer willen stoppen, de b-kant van 'Milk And Tranquiliser' uit 1967. The Four Seasons hadden er een grote hit mee gehad, The Spinners deed dat in 1980 dunnetjes over. En vraag ik extra applaus voor het koperkwintet onder leiding van Henk Bosveld. Bravo!