dinsdag 31 maart 2015

Singles round-up: maart 4



Normaal gesproken doe ik op dinsdag de 'Week Spot'. Ik heb vanmiddag de singles uit Chicago binnen gekregen en bovendien heb ik eerder vandaag in Meppel een aantal singles op de kop getikt. Ik ga jullie vandaag dus tweemaal trakteren op een Singles round-up, ook omdat ik op deze laatste dag van maart een bericht achterstand heb. Morgen stel ik de nieuwe Week Spot aan jullie voor en nee... die zit niet in de komende twee berichten. Ik begin met de singles uit Chicago. Daarbij heb ik wel even gevloekt, want het was me al opgevallen dat de dealer billijke verzendkosten hanteerde. Nu blijkt dat hij het pakket onverzekerd heeft verstuurd en heeft aangegeven dat het pakket tien dollar waard is. Gelukkig is het via Paypal betaald en krijg ik altijd mijn volledige aankoopbedrag terug, maar ik weet niet hoe scheutig dat is als er een verkeerde waarde wordt opgegeven. Enfin, het is niet de eerste en ook zeker niet de laatste keer dat ik zaken met hem doe en het is altijd nog goed gekomen. In dit vierde deel van de Singles round-up behandel ik de zeven singles uit Chicago plus eentje uit Engeland die toch heel veel met deze Ebay-handel van doen heeft...

* Andrea Davis- You Gave Me Soul (US, Chess, 1966)
Eigenlijk is 'Lonely Girl' de a-kant, maar de plaat wordt met 'You Gave Me Soul' geadverteerd en dat is vaak ook de reden van aanschaf. Achter Andrea Davis gaat niemand minder schuil dan Minnie Riperton. In de midden jaren zestig maakt Minnie deel uit van The Gems (van de Blauwe Bak-favoriet 'Love For Christmas/All Of It'). Ik heb The Gems onlangs nog behandeld, toen vanwege de Week Spot van 2012. Hoe het ook is tot een einde is gekomen met The Gems uit Chicago, zeker is dat Minnie in 1966 de groep heeft verlaten. Ze schrijft beide kantjes niet alleen, ze krijgt de hulp van Sugar Pie DeSanto. 'Lonely Girl' is een echte Chicago-ballade, maar 'You Gave Me Soul' is een stamper met pit en klasse tegelijk.

* The Dynamic Tints- Be My Lady (US, Twinight, 1971)
Ik denk dat dit het geval gaat worden bij alle singles die ik in deze eerste serie presenteer: Ik noem niet de eigenlijke a-kant, maar het zijn vooral b-kanten. The Dynamic Tints heeft in 1970 al een uitvoering van 'Be My Lady' op de plaat uitgebracht met een 'credit' aan The Pieces Of Peace Orchestra, de huisband van Twinight. Een jaar later verschijnt het als b-kant van 'Falling In Love' zonder vermelding van The Pieces Of Peace, dus ik weet niet of het een andere opname is. 'Be My Lady' is in elk geval het prijsnummer. Het is wederom een stevige Syl Johnson-productie met zang zoals ik dat van The Kaldirons en The Perfections ken. De plaat is ietsje kromgetrokken en werd ook zo geadverteerd, maar het zou voor het afspelen niet uitmaken. 'Falling In Love' heeft wel een tik gekregen van het mankement, maar 'Be My Lady' klinkt fantastisch!

* The Golden Tones- Jesus Is All The World To Me (US, Halo, 1965)
Misschien is het vanwege 'Do The 45' dat ik een zwak heb gekregen voor One-derful! Records, want het origineel van The Sharpees is op dat label uitgebracht. Een paar weken geleken kom ik bij Buydiscorecords de single van The Gospel Souls tegen en ontdek dan dat Halo een onderdeel is van One-derful! Evenals Mar-v-lus. Als ik vervolgens deze single van The Golden Tones tegenkom in de veiling moet ik wel een bod uitbrengen. Erg bescheiden, want op het eerste gehoor is het me iets te traditioneel. Welnu: Ik zit met lagen kippenvel te luisteren naar 'Jesus Is All The World To Me'. The Golden Tones is een groepje mannen met zeer diverse stemmen die elkaar complimenteren. Messcherpe harmonieën en een lekkere stevige Chicago-productie, hier word ik stil van...

* Gospel Nikias- Get My Jesus On Your Side (US, KB, 1974)
Een wonderlijk schijfje! 'Get My Jesus On Your Side' ken ik al een aantal maanden dankzij 'The Divine Chord Gospel Show' op Youtube en ik kan mijn ogen niet geloven als ik zie dat er bij een, relatief, laag bedrag niet meer wordt geboden. Ik heb hem! De a-kant is pure 'kuntrie' en vormt een contrast met 'Get My Jesus On Your Side'. Een mid-tempo funk-dingetje dat hooguit iets te lang doorgaat zonder dat het nog iets toevoegt. Er is helemaal niks bekend over deze plaat, het '1974' meen ik te herinneren ergens te hebben gelezen. De plaat is in eigen beheer uitgebracht en misschien is het eenvoudiger een kanariegele Bugatti te vinden dan een tweede exemplaar van deze single. Een pronkstuk in de groeiende gospel-verzameling.

* Myrna March- I Can Remember (US, Agape, 1971)
De eigenlijke a-kant heet 'Touch And Understand Love', maar dat is pure pop. En, ja, eigenlijk is het met 'I Can Remember' niet anders gesteld. Het klinkt héél erg als 'Early In The Morning' van Vanity Fare. De verkoper heeft het als 'crossover' beschreven en het geluidsclipje is nét niet lang genoeg om een goede indruk te krijgen. Ach vooruit, ik heb hem voor het startbedrag en de plaat is nagenoeg nieuw, maar ik zie niet in dat ik deze grijs ga draaien.

* The Para-Monts- Come Go With Me (US, Ole' Records, 1967)
Ja, als Robert het zegt... Ik heb altijd begrepen dat 'Come Go With Me' van The Para-Monts uit 1965 moest komen. Ik zie in het commentaar op 45cat dat Robert Pruter heeft gezegd dat het in januari 1967 is verschenen. Ik ken Pruter van een Facebook-pagina en hij is een autoriteit op het gebied van de Chicago-soul. Maar goed... hier hebben we hem dan: De single die me sinds september 2012 in de houdgreep heeft. Nóóit wordt een exemplaar aangeboden en dan zie ik vorige week opeens dat er nóg eentje op Ebay wordt aangeboden. Een 'VG++' in plaats van deze 'VG-'. De kale prijs ligt iets onder de mijne, maar als ik het totaal heb opgerekend met de verzendkosten (verzekerd met track-and-trace en de hele santenkraam), dan valt hij ietsje hoger uit. Geen geluidsclip en dus weten we ook niet of die écht beter is. Gegeven het feit dat deze op styreen is uitgebracht en vergelijkend met de 'rip' die op de 'Northern Soul Jukebox' staat, kan deze er helemaal bij door. Her en der wel wat vervorming in de dynamische stukken, maar ach... ik ben zo blij als een kind!

* The Salem Travelers- I've Gone Too Far (US, Checker, 1971)
Ik zit in de laatste twintig minuten van de veiling van de volgende single, waarop stevig wordt geboden. Mijn maximum is nog niet bereikt, maar het heeft er alle schijn van dat in de laatste tien seconden nog iemand er overheen gaat. Ik heb me er al mee verzoend en kijk even verder rond op Ebay. Dan zie ik deze staan en na een stukje te hebben beluisterd, ga ik overstag. Hij is goedkoop en zou prima kunnen dienen als vervanger voor die andere plaat. De grootste verrassing is nog wel dat ik een oude bekende tegenkom. Ik ben zijn 'oude' naam vergeten, maar heb eind 2011 en begin 2012 een paar keer leuk zaken met hem gedaan. Zijn winkel heet nog hetzelfde: Dr. Crypts Records, maar zijn gebruikersnaam is nieuw. Alhoewel? Hij heeft met die nieuwe naam ook alweer 2500 positieve 'feedback'-beoordelingen gescoord. De plaat is een toppertje, achteraf gezien zelfs iets beter dan de volgende. Een lekker opgewekt funky ding. Erg leuk detail: Getuige het label gebruikt Chess in de vroege jaren zeventig het roemruchte Checker-label voor 'sermons & spirituals'.

* The Salem Travelers Of Chicago- Children Of The Spirit (US, One Way, 1976)
Dezelfde groep als hierboven: Deze single is de enige die 'Of Chicago' al aanvulling heeft gekregen. Zowel deze als 'Praise The Lord' van The Voices For Christ worden beschreven als 'private pressings', maar dat is niet helemaal waar. Beide platen zijn uitgebracht op het kleine One Way-label dat, tot zover ik weet, geen landelijke distributie kent en daardoor erg lokaal is uitgebracht. Op deze single tappen de reizigers uit een bluesy vaatje, waarbij 'Children Of The Spirit' dan nog het meest interessante is. Toch vind ik hem niet halen bij de Checker-single uit 1971 en hun werk uit de jaren zestig.

maandag 30 maart 2015

Raddraaien: Flaming Youth



Vandaag ga ik met veel tromgeroffel en een aangerukte fanfare de negende serie Raddraaien besluiten. Ik kan meteen door, want de opzet voor de tiende serie is klaar. Helaas, ik kwam nét twee bakken tekort om aan 45 Raddraaiers te komen, maar met het oog op op de vele singles die ik nog terug moet zetten, gaat dat in de elfde serie zeker lukken! De volgende serie bestaat uit 43 Raddraaiers: Vijftien uit de jaren zestig, vijftien uit de jaren zeventig, zes uit de jaren tachtig en zeven uit de Blauwe Bak. En in de Gouden Gids springen we van de K naar de L, dus de komende drie jaar hoef ik geen Gouden Gids! De negende serie Raddraaien komt ten einde middels een hoesje dat al vele malen heeft gesierd op Soul-xotica in de afgelopen vijf jaar. Het is een échte 'parel' in mijn collectie en met een verhaal dat leuk blijft om te vertellen: 'Guide Me Orion' van Flaming Youth (1969). Ten opzichte van voorgaande berichten heb ik weer wat nieuwe informatie gevonden over deze merkwaardige groep...

Vanaf augustus zal Sunrise Records weer regelmatig terugkeren op Soul-xotica. Wie de berichten van 2011 heeft gelezen, kent de naam ten overvloede: Sunrise Records is een 'dekmantel' voor een coffeeshop in Sneek uit de vroege jaren negentig. Voorin de zaak staan schappen met elpees voor een tientje per stuk. Op de grond bakken met singles voor een gulden en eentje op de toonbank met 'dure' singles voor vijf gulden per stuk. Ik haal daar wekelijks een single van vijf gulden en één of twee van een gulden. Hoewel? Pas vanaf januari 1991, want dat is wanneer de vijf gulden-bak zijn intrede doet. Ik kan jaren later concluderen dat veel platen uit die vijf gulden-bak zelfs anno 2015 dik betaald zijn, maar er zitten ook een paar exoten tussen. Neem nou die gekke plaat van Flaming Youth. Totaal geen informatie op de hoes of op het platenlabel. Wel vier koppen die ik aanvankelijk associeer met Dave Dee, Dozy, Beaky, Mick & Tich. Het is op dit gevoel dat ik zo'n groen briefje uit mijn portemonnee tover en de plaat aan mijn collectie toevoeg.

Ik geloof dat het niet eerder dan 1997 is voordat ik ontdek dat het de eerste professionele band is geweest van Phil Collins. Die zien we bovenaan op het hoesje. Een vrij unieke foto want Collins heeft daar nog enige bedekking van de hoofdhuid. Als ik vervolgens de vraagprijs zie voor een Engelse single van Flaming Youth (en dus ook zonder zo'n fraai fotohoesje met songtekst op de achterkant), begint het me te duizelen. Wat zou er van mijn leven zijn terecht gekomen als ik deze plaat destijds niet had gekocht? Ik zou gefaald hebben als platenverzamelaar! Welnu, ik ben nog altijd zeer gelukkig dat ik hem in de bak heb en draai hem ook altijd nog met veel plezier. Het is een gekke plaat, maar wel een hele goeie!

Ronnie Caryl en Gordon Smith wisselen onderling van gitaar en basgitaar, Brian Chatton is de toetsenist en Phil Collins, zoals verwacht, de drummer. In de nadagen van de groep komt Rod Mayall bij de band. Hij speelt orgel en rond deze tijd heeft Flaming Youth het pad van de popmuziek verlaten en is meer bezig met vrije improvisatie. Daar is in 1969 even geen sprake van. De groep komt onder contract bij Fontana. Dat heeft met onder andere The Kaleidoscope meerdere psychedelische bands onder haar hoede en weet ook hoe belangrijk een elpee is voor zo'n groep. Er wordt dus niet verwacht van Flaming Youth dat ze eerst een hitsingle gaan scoren. Als het toevallig gebeurt, is dat mooi meegenomen. New Musical Express bericht in november 1969 dat de groep een televisie-special van een anderhalf uur heeft opgenomen in Nederland ter promotie van het album: 'Ark 2'. Ik begrijp uit een eerder bericht op Soul-xotica dat de sterren en planeten op een 'religieuze' manier worden benaderd. De bronnen komen en gaan. In 2010 heb ik nog de beschikking over een web-versie van 'The Garden Of Delights' van Vernon Joynson, maar ik ben de link al tijden kwijt. 'Guide Me Orion' klinkt als een devoot gebed over een dreunend orgel. Phil Collins valt in bij de refreintjes en daar heeft het opeens alles weg van een swingende gospel.

In 1970 valt het doek voor Flaming Youth. Collins en Caryl doen auditie bij Genesis. Caryl wordt niet aangenomen, maar Collins mag blijven. Caryl zal Collins bij latere solo-tournees vergezellen als gitarist. Chatton formeert in de jaren tachtig de band Boys Don't Cry en Collins speelt mee op een liedje van hun tweede elpee. Boys Don't Cry is een band met humor. Hele bevolkingsgroepen denken nog steeds dat ze de naam hebben geleend van The Cure, maar de waarheid blijkt anders. Het stamt af van 'Be quiet... big boys don't cry' uit 'I'm Not In Love' van 10CC. Bij wijze van ludieke grap staat op het tweede album van Boys Don't Cry een instrumentaal nummer met 'The Cure' als titel.

Wat zoiets nu waard is? Ik heb er nooit over nagedacht want ik heb ook nooit erover nagedacht om de plaat van de hand te doen. Mijn fotohoesje is smetteloos (dus zonder de naam in één van de gezichten) en met alleen een stempel van de platenzaak achterop het hoesje. De plaat zélf is erg goed geconserveerd, zeker als je er rekening mee houdt hoeveel naalden deze plaat heeft gezien.

zaterdag 28 maart 2015

Raddraaien: Julien Clerc



Nou..., volgens mij had ik dit niet beter kunnen plannen? Na deze Raddraaier is er nog eentje te gaan en dan ben ik klaar voor de tiende serie. Dan is het ook bijna drie jaar geleden dat Raddraaien een aarzelende start heeft gekregen. De volgende serie wordt uitgebreider ten opzichte van de eerste negen series. Ik heb namelijk alleen al 39 bakken met jaren zestig, zeventig en tachtig en verder zal ik een aantal Blauwe Bakken aanvullen. De volgende serie wordt dus 45 afleveringen (of daaromtrent). Ik vergeet de Raddraaiers uit deze serie en begin bij iedere bak vooraan te tellen. Verder zal het principe niet veranderen: Nog steeds moet er een bericht van normale lengte geschreven worden. Een uitgebreide biografie of juist een herinnering of associatie met de plaat en de artiest. Na Feder heb ik vandaag in Raddraaien een andere Fransman te gast: Julien Clerc staat centraal met zijn single 'Elle Voulait Qu'On L'Appelle Venise' (1976), hierna gewoon 'Venise' te noemen...

Ik weet niet of Julien Clerc huisdieren heeft, maar anders is het dubbel feest op Werelddierendag. Paul Alain Leclerc wordt namelijk geboren op 4 oktober 1947 in Parijs. Als zesjarige krijgt de jonge Paul pianolessen. Hij luistert enerzijds naar de verzameling klassieke platen van zijn vader, maar het is zijn moeder die de liedjes van Georges Brassens en Edith Piaf in zijn leven brengt. Als dertienjarige heeft hij het klavier zo goed onder controle en een perfect gehoor ontwikkeld, dat hij de liedjes van de radio moeiteloos mee speelt. Tijdens zijn studie ontmoet hij Maurice Vallet en Etienne Roda-Gil. Onder invloed van hen begint Clerc zijn eerste liedjes te schrijven en te vertolken. Hij krijgt in 1968 een platencontract bij Pathé-Marconi en op datzelfde moment neemt hij de naam Julien Clerc aan. Zijn titelloze debuutalbum komt uit in 1968. Het is geen 'overnight sensation', maar Clerc speelt zichzelf wel in het vizier van Gilbert Becaud. Als deze gevierde zanger een serie concerten doet in de Olympia, is Clerc de opwarmer. Het resulteert in meerdere optredens in dit prestigieuze theater.

In 1969 krijgt Clerc een rol in de Franse vertaling van 'Hair', iets dat hem alleen maar populairder zal maken onder de vrouwelijke Franse bevolking. Nederland ligt zelfs vóór op België als het komt tot 'het ontdekken' van Julien Clerc. In 1974 stormt bij ons 'Si On Chantait' de Top 40 binnen en eindigt nipt in de top tien. 'Ce N'est Rien' wordt verkozen tot Alarmschijf, maar doet het eind 1974 een stuk bescheidener op de Top 40. 1975 is in Nederland een rustig jaar voor Clerc, maar in 1976 is de zanger te bewonderen in de eerste televisie-uitzending van Veronica. 'Venise' is vooral een radio-hit, het bereikt slechts een veertiende plek in onze Top 40. Met de opvolger is het helemaal raak: 'This Melody' komt op nummer 1 en zal mans' grootste hit worden in ons land. 1976 is als een wervelstorm voor Clerc, daarna neemt de interesse af. In 1987 heeft hij onverwacht een zomerhit met 'Helene', maar het zorgt niet voor succes op de lange duur.

In 2008 neemt Clerc een album op met duetten waarbij zijn liedjes zijn vertaald. Jan Rot neemt 'This Melody' onder de loep en dat resulteert in 'Eén Melodie'. Rob De Nijs heeft de eer het resultaat te mogen zingen met Clerc en het duo behaalt een bescheiden positie in de Mega Top 100. Clerc is nog immer actief, heeft ook al een paar klassieke uitstapjes gedaan en denkt voorlopig nog niet aan pensionering.

Ik mag een talenknobbel hebben, maar Frans heb ik nooit gehad op school en heb me ook nooit echt verdiept in de taal. Voor mij is 'Venise', evenals andere Franse liedjes, volslagen abracadabra voor mij, het is het opgewekte in de plaat dat me heeft aangespoord tot de aankoop. Komt erbij dat de single destijds spotgoedkoop was bij de kringloopwinkel in Zwolle, dus ik hoefde geen honger te lijden.

Van hit naar her: Feder ft. Lyse



Het is niet enkel 'nostalgie' wat de klok slaat op Soul-xotica. Mede door mijn radio-werk probeer ik op de hoogte blijven van het actuele muziekaanbod. Ik wil allesbehalve de zuurpruim zijn die zegt 'dat er tegenwoordig geen goeie muziek meer wordt gemaakt'. Commerciële pulp is van alle tijden en dat had je ook al in de jaren zestig en zeventig. Het zijn de uiteindelijke hoogtepunten die je blijft herinneren na tien jaar of meer. Op het gebied van de dansmuziek gebeuren nog steeds hele aardige dingen, alleen moet je daarbij wel iets dieper gaan spitten dan Tiësto en Afrojack. Met name de 'deep house' is een beweging waar ik steeds meer in 'verdrink'. Melodieus, soms uitgesproken 'pop', maar toch met een duidelijk dansritme. 'Floorfillers' is aanvankelijk begonnen als een show met disco-nostalgie, maar is in de loop der tijd uitgegroeid tot een show waarin het 'nieuwe' product de overhand heeft gekregen. Soms hoor ik een nummer voor de eerste keer en weet binnen de eerste paar maten dat het helemaal goed gaat komen en datzelfde gevoel bekruipt me als ik de eerste keer 'Goodbye' van Feder ft. Lyse beluister. Deze presenteer ik jullie vandaag in 'Van hit naar her', hoewel er nog geen sprake is van een hit. De single kruipt in de vierde week van 19 naar 10 in de Tipparade.

Ik wijt het aan het gitaartje dat me onmiddellijk doet denken aan 'Fade Out Line' van The Avener. Over een 'Floorfillers'-hit gesproken! Ik zal niet beweren dat Engelse hits het uitsluitend hebben te danken aan mijn show op donderdagavond, maar toch ben ik in de bevoorrechte positie om als eerste te zijn in Engeland met bepaalde nummers. Nederland speelt namelijk een grote rol in de dansmuziek en wij pikken doorgaans eerder iets op dan Engeland, dat vooral drum'n'bass en dubstep is georiënteerd. Daar kennen ze 'Goodbye' uit de progressievere dansclubs, maar het kan niet lang duren of de Engelse hitparade er ook aan moet geloven. De plaat is al een zomerhit gebleken in Turkije en Rusland, het zit er dik in dat de rest van Europa nu voor de bijl gaat.

Hadrien Federiconi is de naam. De jongeman groeit op in Nice in Zuid-Frankrijk en hoewel het daar goed vertoeven is, zal hij zich voor de muziek moeten verplaatsen naar Frankrijk. Daar aanbeland duikt hij in de wereld die 'deep house' heet en al snel komen er remixen uit. De meest spraakmakende tot dan toe is een remix van Sixto Rodriguez' 'Sixto', daarmee bereikt de Fransman een derde plek op de lijst van Hype Machine. Sixto Rodriguez is een cultheld uit de vroege jaren zeventig die dankzij een film over hem, 'In Search Of The Sugar Man', plots weer helemaal in de belangstelling staat. Het is ongeveer een jaar geleden dat Feder de studio in gaat om met zangeres Lyse de track 'Goodbye' op te nemen. Aanvankelijk doet de plaat het alleen goed in Turkije en Rusland, waar het een geheide zomerhit wordt. Agent Greg, DJ Antonio, Mark House en onze eigen Tiësto maken remixen van het nummer, maar verder dan een cultstatus komt het niet in Europa. Op 2 januari 2015 besluit Feder het nummer in Europa te lanceren en in Nederland klimt het dus moeizaam in de Tipparade. Toch is de Top 40 al een paar jaar een raar fenomeen en kan het zomaar nog gebeuren voor Feder en Lyse. De tijd zal het leren.

Engeland houdt zich vooralsnog afzijdig, hoewel ik met een collega op Wolfman ben begonnen aan een 'campagne' om de plaat kracht bij te zetten in Engeland. Nogmaals, ik wil mezelf niet op de borst kloppen, maar ik heb al eens eerder een hit 'gemaakt' in Engeland en dus zal ik ook volharden in deze missie. Aan 'Goodbye' kan het hem niet liggen, het is net als 'Fade Out Lines' een plaatje waarvan ik nóóit genoeg krijg. Omdat de informatie omtrent Feder en Lyse summier is en ik vanavond de schade ga inhalen met een Raddraaier, hou ik hier eerst bij. Wordt vervolgd?

vrijdag 27 maart 2015

Raddraaien: Chris Barber



Dinsdagmiddag was het zulk lekker weer dat het me verstandig leek om de slaapkamer even te luchten. 's Avonds heb ik een schoonheidsslaapje gedaan en het viel me wel op dat het 'wat fris' was. Toen ik later (omdat ik woensdag vrij ben, begon het al licht te worden) wilde gaan slapen, zag ik dat ik het raam open had laten staan. Nu is dat voor veel mensen in mijn omgeving de normaalste zaak van de wereld, maar dat doe ik enkel als het boven de vijfentwintig graden is. Ik meen in het begin dat de kou het veroorzaakt heeft, maar ik heb sinds gisteravond ontzettend last van mijn rug. Het lijkt toch alsof het ergens een 'knauw' heeft gehad, maar het is zeer zeker niet de kou geweest. Dit is de reden waarom ik gisteravond meteen na de show ben gaan slapen en niet heb gepubliceerd. Dat haal ik nog wel in voor woensdag. Vandaag eerst een Raddraaier uit de eerste jaren zestig-bak: Vijfennegentig singles vanaf After Tea vinden we deze jazz-single van Chris Barber: 'Petite Fleur' (1959).

Ik heb het diverse malen geprobeerd, maar nee... een echte jazz-liefhebber zal ik nooit worden. De 'probeersels' zijn echter goed geslaagd! Ik heb een immens respect voor John Coltrane en krijg goede luim als ik Jimmy Smith tekeer hoor gaan op zijn orgel. Liever niet té traditioneel, maar ik heb altijd al een zwak gehad voor singles van Chris Barber. Bovendien is Barber niet zomaar de eerste de beste, de man heeft een stempel gedrukt op de Engelse popmuziek van de afgelopen vijf decennia. Menig Engels muzikant geeft graag toe de mosterd bij Barber te hebben gehaald, hoewel hij veel te traditioneel is in vergelijking met hippe jazz-katten als Miles Davis en John Coltrane. Bovendien is Barber iemand die ooit nog eens gaat sterven op het podium. Hij is inmiddels 84 lentes jong en nog steeds immer actief met zijn band.

Op 17 april 1930 komt de man ter wereld in Welwyn Garden City in het graafschap Hertfordshire in Engeland. Hij blijkt al vroeg over een groot muzikaal talent te beschikking, hij sluit zijn educatieve jaren af aan de Guildhall School Of Music. In 1953 formeren trombonist Barber en klarinettist Monty Sunshine een band met trompettist Ken Colyer. De laatste heeft dan net lauweren geoogst in Amerika en de groep noemt zich naar Colyer: Ken Colyer's Jazz Men. In 1954 heeft Colyer er tabak van en wordt vervangen door Pat Halcox. Vanaf dat moment wordt de band genoemd naar Chris Barber. Soms legt Barber de trombone aan de kant en bespeelt dan de staande bas naast Lonnie Donegan op banjo. De band maakt haar debuut in Denemarken en komt onder contract te staan van het splinternieuwe Storyville-label. De groep speelt traditionele jazz, ragtime en dixieland, hoewel Lonnie de kans krijgt om ook 'zijn ding' te ontwikkelen binnen de band. Hij komt in 1957 tot de opname van 'Rock Island Line', de start van de skiffle-muziek. In 1959 scoort Barber zijn grootste hit met 'Petite Fleur', hoewel het Nederlandse tijdschrift Tuney Tunes de opname toeschrijft aan de solist: Monty Sunshine.

Het is Barber al lang best. Graag zet hij zich in om onbekende muzikanten naar voren te halen. Dat gebeurt eerst in 1955 met zangeres Ottillie Patterson, met wie Barber later getrouwd zal zijn. Lonnie Donegan zou wellicht nergens zijn geweest zonder de hulp van Barber, maar ook hebben we Alexis Korner te danken aan Chris Barber. Barber heeft, evenals Korner, een bijzondere fascinatie voor Amerikaanse blues en organiseert in de vroege jaren zestig de eerste Engelse tournees voor blues-sterren als Big Bill Broonzy, Sonny Terry & Brownie McGhee en Muddy Waters. Intussen blijft hij eveneens doorgaan met zijn eigen band, hoewel de bezetting continu verandert. In 1964 strijkt hij menig tradjazz-liefhebber tegen de haren in door een elektrische gitaar toe te voegen aan de band. John Slaughter blijft Barber in eerste instantie tot 1978 trouw. Vervolgens neemt Roger Hill zijn plaats in voor acht jaar en tussen 1986 en zijn plotselinge dood in 2010 is Slaughter andermaal van de partij. Met extra muzikanten gaat Chris Barber's Band vanaf de eind jaren zestig als The Big Chris Barber Band verder met maar liefst elf muzikanten. Nergens is sprake van iets in de vorm van verleden tijd, want anno 2015 is Barber nog steeds op de bühne te vinden.

Sidney Bechet is de oorspronkelijke schrijver en uitvoerder van het instrumentale 'Petite Fleur'. Nadat Sunshine en Barber het tot een grote hit in Engeland hebben gemaakt, schrijven Fèrnand Bonifay en Mario Bua een tekst op de melodie. Daarna wordt het door een keur aan artiesten opgenomen en mag 'Petite Fleur' tot een 'evergreen' worden gerekend.

woensdag 25 maart 2015

Week Spot 2012/13: Marv Johnson



Als ik nu het bericht van gisteren ga bewerken, verander ik daarmee de datum van publicatie en dat wil ik niet. Toch moet ik daarin even iets corrigeren: Fred Bridges is in de jaren zeventig de zanger van Brothers Of Soul. Dat klopt. Dat ik daarvan een single heb met de titel 'I Can Be' is fout. Dat is Brother Love en dat is nog altijd een 'zwart gat' waarvan ik hoopte nu een aanknopingspunt te hebben gevonden. Desondanks verwacht ik binnenkort een 'standbeeld' op te richten van Bridges, want de man heeft aan de zijlijn héél veel betekend voor de Amerikaanse rhythm & blues. In de tweede alinea van de 'Week Spot' denk ik hardop na over hoe en wanneer de Blauwe Bak Top 40 te doen. Welnu: Ik heb vanmorgen besloten het inderdaad in het Paasweekeinde te doen. Ik start ermee op Goede Vrijdag 3 april en presenteer de top tien op Paasmaandag 5 april. Dat is dus inclusief de singles die nu nog onderweg zijn. Het is een Top 40 die sowieso pijn gaat doen, ik moet uit de maanden december, januari, februari en maart tien favoriete kantjes zoeken en daarvan de Top 40 samenstellen. Het resultaat gaat wel een knal-editie worden, dat kan ik alvast beloven! Vandaag richt ik de schijnwerpers op de Week Spot van drie jaar geleden: 'I Miss You Baby' van Marv Johnson (1969).

Toen ik net mijn intrek had genomen in de Rembrandtstraat in Steenwijk, heb ik nog eenmaal getracht alle singles in alfabetisch-lexicografische volgorde neer te zetten. Niks geen aparte categorieën, gewoon een halve bak Bee Gees en nog een aantal van zulke 'grote' artiesten in mijn collectie. In 2009 heb ik even het plan om de collectie te splitsen bij het jaar 1976 en bovendien erg kritisch te kijken bij platen ná dat jaar. Na drie bakken heb ik twee singles uitgeschift die ik teneinde raad maar weer terug zet. Als ik in Nijeveen kom wonen, heb ik opeens het idee om de singles per decennium te categoriseren: De jaren zestig (feitelijk alles tot en met 1969), de jaren zeventig (1970 tot en met 1979) en de jaren tachtig (1980 en alles daarna, dus ook jaren negentig en nieuwe eeuw). Omdat ik dan bezig ben alle bakken overhoop te halen, beluister ik ook diverse singles en besluit dan dat deze in de Blauwe Bak thuishoren. De komende weken zullen een aantal van deze 'vondsten' voorbij komen in deze terugblikken op de eerste Week Spot's. Marv Johnson hoort eveneens thuis bij die 'onontdekte' parels in mijn collectie.

Tijdens vakanties in Denemarken mag ik gebruik maken van de racefiets van mijn broer. Op ongeveer dertig kilometer vanaf het huis van mijn oudste broer ligt de stad Herning en met name in 1996 en 1997 fiets ik daar geregeld naar toe. De eigenaar van een boekwinkel in Herning heeft méér dan een alleen een fascinatie voor Elvis Presley, hij heeft dan juist een Elvis-museum geopend. Omdat de man door de jaren heen een gigantische collectie platen heeft opgebouwd en daar geen ruimte meer voor heeft, verkoopt hij deze vanuit de boekwinkel. Het is een 'mixed bag', maar vooral veel Deense persingen, al dan niet met fotohoes. Ik trek in drie vakanties flink wat singles uit deze verzameling, zonder dat deze er 'leeg' uit gaat zien. In de zomer van 1997 koop ik daar eveneens deze 'I Miss You Baby' van Marv Johnson. De Engelse persing zonder fotohoes (Engelse singles hebben standaard geen fotohoes). Ik denk dat het ongeduld is geweest. De plaat begint weinig hoopgevend en ik denk dat ik tegen die tijd de single alweer van de draaitafel heb gehaald en in het hoesje heb gestopt. In maart 2012 'ontdek' ik de single alsnog, volgens mij heeft de avond met de Beatles-tribute band daar iets mee te maken. Ik ontdek daar dat 'I Miss You Baby' een 'kneiter' is en dat moest ook meteen maar 'Week Spot' worden.

Met Smokey Robinson, Marvin Gaye en Stevie Wonder als geduchte concurrenten is Marv Johnson niet bepaald een Motown-zanger die erg tot de verbeelding spreekt. Toch heeft de man een 'claim' die hem nooit meer afgepakt kan worden: Hij is de eerste die een plaatje mag opnemen voor Tamla. Het is een 'trend' onder platenlabels om dat te vernoemen naar een actuele hit en zo heeft Berry Gordy aanvankelijk het idee om het Tammy Records te noemen naar de hit van Debbie Reynolds. Hij ontdekt op het laatste moment dat er al een label is met die naam en voegt zonder enige reden 'La' achter 'Tam'. Dat is zo'n aparte combinatie dat die vast niet is gebruikt. Gordy heeft gelijk en vanaf dat moment is Tamla verbonden aan zijn label. Marv Johnson wordt op 15 oktober 1938 geboren in Detroit en zingt vanaf de midden jaren vijftig met enkele groepen. Als pianist speelt hij bij een carnaval en daar wordt hij ontdekt door Gordy. Johnson neemt in 1959 'Come To Me' op voor Tamla, maar omdat dit nieuwe label nog geen nationale distributie kent, wordt het landelijk uitgebracht door United Artists. Het bereikt een dertigste plek op de Billboard Hot 100 en Gordy's toekomst als platenlabel-eigenaar is verzekerd.

In de eerste helft van de jaren zestig kent Johnson nog enkele grote successen, vooral in 1960 met 'You Got What It Takes'. Niet alleen Australië gaat overstag voor Johnson, maar dit nummer bereikt eveneens de Engelse top tien. Dat laatste is opmerkelijk, want de hitparade is dan nog zeer blank-georiënteerd. Tussen 1961 en 1966 is het even stil rondom Johnson, maar hij zit allerminst stil. Hij werkt als songschrijver voor Motown en is ook actief op de verkoop- en promotie-afdeling van de maatschappij. In 1966 maakt hij een elpee die nog eenmaal door United Artists op de markt wordt gebracht. In 1969 heeft zijn laatste grote hit met 'I'll Pick A Rose For My Rose', dat in Engeland een tweede top tien-hit oplevert. Onze Week Spot van drie jaar geleden is definitief de laatste hit van Johnson. Het bereikt in Engeland een magere 29e plaats in de hitparade, in Amerika is men Johnson vergeten. In de jaren zeventig werkt Johnson op de achtergrond bij Motown en schrijft liedjes voor onder andere Tyrone Davis en Johnnie Taylor.

En daar hebben we opeens Ian Levine weer! Nadat zijn 'Hi-NRG' roemloos tenonder is gegaan, start hij in 1990 met Motorcity Records. Hij benadert voormalige Motown-artiesten om oude hits opnieuw in te zingen en ook nieuw-geschreven liedjes te vertolken. Marv is in 1995 te horen op het album 'The Very Best Of Motorcity Recordings'. Zelf is hij dan niet meer onder ons. Terwijl hij verblijft in Colombia in South Carolina, krijgt Johnson op 16 mei 1993 een hartaanval en overlijdt op 54-jarige leeftijd.

dinsdag 24 maart 2015

Week Spot: Candace Love



,,Zou ze wiskunde hebben gegeven?". Die losse flodder haal ik niet ergens van internet af, hiervoor hoef ik slechts terug te bladeren naar 21 januari 2015. De eerste vangst uit Chicago van het jaar is dan pas binnengekomen en ik kan eerst niet helemaal hoogte krijgen van de Week Spot. Toch ben ik doorgaans erg geduldig en door steeds weer opnieuw de plaat te draaien, ben ik Candace Love gaan begrijpen. Of, beter gezegd, Eddie Sullivan, de schrijver van het werk. Met als slotconclusie dat dit plaatje met recht een aanwinst tot mijn koffers gerekend mag worden. Hij wordt eigenlijk nog steeds leuker. Vandaag zit ik in een luxe-positie want ik kan kiezen uit meerdere Week Spot-kandidaten, maar weet ook dat een keuze met dit moordend tempo toch wel een beetje definitief is. Als alles mee zit (en het pakket is vandaag op de post gegaan), dan kan ik volgende week hier The Para-Monts presenteren als kersverse Week Spot en voor de rest gaat het ook gewoon zijn gangetje. Candace Love is dus de geluksvogel die in deze dertiende week van 2015 het predikaat 'Week Spot' mag dragen met haar tweede single: 'Uh Uh Boy That's A No No' (1969).

De dertiende week betekent eveneens dat het eerste kwartaal van 2015 alweer bijna de geschiedenisboeken in kan. Ook betekent het dat ik de balans op maak van drie (in dit geval vier) maanden. Ik zou dit aanvankelijk komend weekend doen, de laatste vier dagen van maart, maar daarover ben ik nog met mezelf in conclaaf. Ik zou natuurlijk nog even op The Para-Monts en de andere Amerikaanse singles kunnen wachten. Ook komt voor het weekend nog een plaatje uit Engeland binnen. In dat geval zou ik dan de eerste vier dagen van april de Blauwe Bak Top 40 kunnen presenteren, ware het niet dat ik nog geen vaste plannen heb voor donderdag 2 april, maar ik desondanks het gevoel heb dat er een soort 'ge-Vecht tegen de drank' gaat plaatsvinden op die dag. Het weekend erna is Pasen, ik zou het dan ook kunnen doen. Maar aan de andere kant: Ik heb nu al teveel keuze en de samenstelling van de Top 40 gaat erg pijn doen, dus ik zou misschien beter vandaag de balans kunnen opmaken en jullie, zoals beloofd, zaterdag tot en met dinsdag de Top 40 te presenteren. Verder betwijfel ik of de Schijf van 5 terug komt, ik ben er eigenlijk even klaar mee en zit nog na te denken over een andere rubriek.

Tot zover de huishoudelijke mededelingen, het helpt me weer een stukje op weg om een bericht van normale lengte te publiceren. We hebben weer eens een 'obscure' Week Spot te pakken. Niet dat het nummer volslagen onbekend is, het schijnt zelfs een hit te zijn geweest. Als ik daar naar ga zoeken, kom ik opeens nog op een zéér informatieve website terecht. Volgens de schrijver daarvan heeft 'Uh Uh Boy That's A No No' inderdaad de Rhythm & Blues gehaald in de herfst van 1969. De notering kan ik niet nagaan, maar gezien mijn maat in Chicago in iedere veiling een exemplaar in de aanbieding heeft, zegt me wel dat het geen super-zeldzame plaat is. Al wat ik weet over Candace Love is dat ze als onderwijzeres heeft gewerkt voordat ze in 1969 haar eerste single opneemt voor het Aquarius-label: 'Never In A Million Years'. Aquarius is het platenlabel van Ricardo Williams, een veteraan in de muziek-scene van Chicago, en eveneens uitbater van maatschappijen als Zodiac en Criss-Cross. Fred Bridges is betrokken als producer met zijn kompanen Eaton en Knight en hij levert ons, middels een interview, een paar gegevens die elders onvindbaar zijn.

Volgens de herinnering van Bridges heeft Williams voornamelijk Aquarius opgezet om Candace Love te promoten. Dat blijkt eveneens uit de catalogus, want Love heeft van alle artiesten het meeste opgenomen. In 1969 en 1970 verschijnen maar liefst drie singles waarvan alleen 'Uh Uh Boy That's A No No' een hit is. Bridges weet niet te vertellen hoe Candace in contact is gekomen met Williams, wél dat Bridges bij ieder bezoek aan Chicago bij Candace logeert (Fred pendelt voortdurend tussen zijn thuishaven Detroit en Chicago). Bridges schrijft ook enkele nummers voor Love. De b-kant van 'Uh Uh Boy That's A No No' heet 'Wonderful Night'. Het is een felle Northern-stamper en uit de pen van Bridges, Eaton en Knight. Toch heeft het nummer al eerder op een b-kant gesierd: Ruby Andrews brengt het in 1968 als eerste uit. Helaas vermeldt het stukje geen biografische gegevens over Candace Love, het interview is min of meer een overzicht van het werk van Fred Bridges door de jaren heen. Bridges weet ons wel te vertellen dat Love is overleden aan een nierziekte. Wanneer precies weten we niet, wél dat Love in de late jaren zeventig óf vroege jaren tachtig een single heeft opgenomen als 'Woman'. Deze verschijnt bij een ander label van Williams: Shock Records.

Deze Fred Bridges haalt me bijna van deze Week Spot af, maar ik denk dat we hem binnenkort nog wel eens tegenkomen. Hij is in de vroege jaren zeventig namelijk lid van The Brothers Of Soul, waarvan ik het uitstekende 'I Can Be' op single heb. Over Candace Love valt verder helemaal niks meer te vertellen. Ik was aanvankelijk van plan om mijn licht te laten schijnen op schrijver Eddie Sullivan, later lid van The Classic Sullivans, maar dat is er niet van gekomen. De info uit de vorige alinea is dermate nieuw voor mij dat we kunnen stellen dat ik er iets van heb opgestoken. Alle dank gaat dus uit naar Candace Love en ik beloon haar met de Week Spot!